Bemiddelingsadvies BC Markt II 10.011

Sector: zorg

Trefwoorden:  onderdeelcommissie, scholing, keuze opleidingsinstituut, kostenontvankelijkheid 

Kosten scholing onderdeelcommissie.

Kern van het geschil
Een onderdeelcommissie (OC) van de organisatie heeft zonder verder overleg en zonder toestemming scholing gevolgd bij een ander instituut dan het door de ondernemingsraad (OR) gekozen instituut. Dit ondanks de waarschuwing vooraf van de OR en bestuurder dat dit niet mocht en dat de cursus niet zou worden vergoed. Bestuurder weigert de cursuskosten te betalen en de dagen te compenseren.

De OC stelt dat zij recht heeft op scholing (art. 18 WOR) en keuzevrijheid t.a.v. het opleidingsinstituut waar ze cursus volgt. De OR betwist het recht op scholing van de OC niet, maar wijst op het Instellingsbesluit OC’s. Daarin staat dat de OR verantwoordelijk is voor het scholingsbudget OC’s en dat de OR zal besluiten over scholing door OC’s. De OR heeft bepaald dat scholing in beginsel gevolgd moet worden bij het door de OR gekozen opleidingsinstituut en nadat opgave is gedaan van de inhoud van de gewenste scholing. Achterliggende redenen van deze regeling zijn het bevorderen van kwaliteit van en cohesie tussen de verschillende medezeggenschapsorganen van de organisatie, het bevorderen van één medezeggenschapsvisie binnen de organisatie en het goed beheren van de financiële middelen voor scholing. De bestuurder trekt één lijn met de OR.

Overwegingen en advies van de commissie
De bedrijfscommissie heeft besloten het verzoek in behandeling te nemen, hoewel het ongebruikelijk is dat een OC een verzoek om bemiddeling indient en twijfel zou kunnen bestaan over de ontvankelijkheid gezien art. 18, vierde lid, maar anderzijds art. 22 WOR. De bedrijfscommissie overweegt dat het geschil hier vooral speelt tussen OC en OR, het een kwestie van medezeggenschap betreft en het wenselijk is dat in deze situatie de OC het geschil voor kan leggen aan een onafhankelijke instantie.

De bedrijfscommissie overweegt dat de tekst van de WOR de OR en OC in beginsel vrij laat zelf te bepalen welke cursus zij willen volgen en bij welk scholingsinstituut, mits daarbij gehandeld wordt binnen de grenzen der redelijkheid. Deze grenzen worden onder meer bepaald door (i) hetgeen binnen de organisatie is geregeld over het volgen van scholing door medezeggenschapsorganen, (ii) de hoogte van het bedrag van de cursus en (iii) het moment waarop scholing wordt gevolgd. De commissie concludeert dat i.c. de door de OR bepaalde regeling niet onredelijk is, noch het bedrag en het moment van de door de OC gevolgde cursus.

Ten aanzien van de handelwijze van de OC acht de bedrijfscommissie het enerzijds toerekenbaar aan de OC dat zij gehandeld heeft in strijd met de regeling inzake scholing zoals vastgelegd in het Instellingsbesluit OC’s. Anderzijds gaat het de bedrijfscommissie te ver om alle kosten van de cursus voor rekening van de OC (-leden persoonlijk) te laten komen. Daarbij laat de bedrijfscommissie zwaar meewegen dat de OC-leden geen WOR-deskundigen zijn, dat ze beïnvloedbaar zijn geweest door wel WOR-deskundigen en niet optimaal zijn voorgelicht. Verder weegt de commissie mee dat op zichzelf beschouwd zowel het volgen van scholing als de kosten in de gegeven omstandigheden niet onredelijk waren en dat in casu geen angst voor precedentwerking hoeft te bestaan. De bedrijfscommissie adviseert partijen het geschil op te lossen door de kosten van de gevolgde cursus voor rekening van de organisatie te laten en de tijd van de gevolgde training voor rekening van de OC-leden zelf.

Er kunnen geen rechten worden ontleend aan dit bericht/deze tekst. Deze geanonimiseerde samenvatting van een bemiddelingsadvies van de bedrijfscommissie wordt gepubliceerd om inzage te geven in de aard van het uitgebrachte advies. Met deze publicatie wordt geen jurisprudentievorming beoogd, aangezien de commissie steeds met maatwerkoplossingen komt, gericht op het(/de) specifieke (omstandigheden van het) geval.

powered by sitecore