Bemiddelingsadvies BC Markt I 11.031

Sector: transport, personenvervoer

TrefwoordenGOR, instemmingsrecht, nietigheid, persoonsgegevens

Kern van het geschil
De gemeenschappelijke OR (GOR) van het bedrijf stelt dat het besluit van bestuurder om het personeel voornaambadges te laten dragen, instemmingsplichtig is in de zin van art. 27, lid 1, sub k van de WOR.

Standpunten partijen
Volgens de GOR is het besluit instemmingsplichtig, omdat een naam bij uitstek een persoonsgegeven is en het willen invoeren van naambadges of naamsvermelding een regeling omtrent de omgang met persoonsgegevens betreft. Door de opkomst van de sociale media en het feit dat het personeel binnen een relatief kleine gemeenschap werkt, is het risico op onjuist gebruik van persoonsgegevens groter. Er leeft een gevoel van onveiligheid en intimidatie onder het personeel, dat ook bezwaren heeft geuit tegen het besluit. De GOR
beroept zich op de nietigheid van het besluit.

Volgens bestuurder is het besluit niet instemmingsplichtig omdat er geen sprake is van registratie van of omgang met privacygevoelige gegevens. Gebruik van de voornaam levert geen inbreuk op van de persoonlijke levenssfeer alsook geen gevaar voor de veiligheid van de medewerkers. Het doel van het besluit is om de klantvriendelijkheid door een meer persoonlijke benadering van de medewerkers te vergroten. Vanwege de grote concurrentie heeft bestuurder groot belang bij de waardering van de klanten en een van de klantenpanels heeft gevraagd om voornaambadges te dragen. Verder is het besluit in juli 2011 uitgevoerd, maar volgens bestuurder in 2006 al uitgebreid besproken. De GOR voert geen nieuwe argumenten aan t.a.v. het overleg in 2006. Volgens bestuurder is de termijn om de nietigheid in te roepen reeds verstreken; hij trekt het besluit niet in.

Advies van de commissie
Het besluit is dan wel in 2006 reeds besproken, maar niet met de GOR. Gesproken is toen met de OR van één van de twee bedrijven waarvan de medezeggenschapsorganen later zijn samengevoegd tot de GOR. Het standpunt van bestuurder dat er destijds voldoende met de GOR is gesproken, gaat derhalve niet op.

Het komt de commissie voor dat het besluit tot het dragen van een voornaambadge niet instemmingsplichtig is. Zij wijst partijen erop dat dit niet wegneemt dat ze met elkaar in overleg kunnen treden en noemt daarbij ook het recht op informatie of het initiatiefrecht in de zin van art. 23 van de WOR. De commissie vindt dat vanwege het feit dat het reeds een aantal jaren geleden is dat het besluit besproken is, er toen met een ander medezeggenschapsorgaan gesproken is en de omstandigheden in de tussentijd gewijzigd zijn door de opkomst en het toenemende gebruik van sociale media, het door de bestuurder uitvoeren van het besluit, zonder hieraan voorafgaand enig overleg te voeren met de GOR, niet de schoonheidsprijs verdient. De besluitvorming omtrent het dragen van voornaambadges dient op zorgvuldige wijze te gebeuren. Nu er bezwaren onder het personeel leven, alsook gevoelens van onveiligheid en intimidatie, vindt de commissie dat partijen hier iets aan moeten doen. De commissie raadt partijen aan om met elkaar opnieuw in overleg te treden en te trachten tot een gezamenlijk besluit dan wel een alternatieve oplossing te komen, waarbij níet naar de situatie van 2006 wordt gekeken, maar naar de huidige omstandigheden.

NB
Zowel de GOR als de bestuurder zullen het advies van de commissie volgen en geen nadere stappen ondernemen.

Er kunnen geen rechten worden ontleend aan dit bericht/deze tekst. Deze geanonimiseerde samenvatting van een bemiddelingsadvies van de bedrijfscommissie wordt gepubliceerd om inzage te geven in de aard van het uitgebrachte advies. Met deze publicatie wordt geen jurisprudentievorming beoogd, aangezien de commissie steeds met maatwerkoplossingen komt, gericht op het(/de) specifieke (omstandigheden van het) geval.

powered by sitecore