Bemiddelingsadvies BC Markt I 11.032

Sector: personenvervoer

Trefwoordeninstemmingsrechtvervangende toestemming, werktijdenregeling

Kern van het geschil
De OR stemt niet in met de nieuwe werktijdregelingen, welke jaarlijks i.v.m. de nieuwe dienstregeling dienen te worden ingevoerd. De OR stelt met name te weinig informatie te hebben. Bestuurder laat de dienstregelingen toch invoeren.

Behandeling verzoek en verloop geschil
Ter zitting blijkt dat ook een verzoek tot een voorlopige voorziening bij de kantonrechter is ingediend. De bedrijfscommissie geeft partijen mee om, gelet het zich jaarlijks herhalende traject, betere en duidelijkere afspraken te maken over bijv. de mandatering van de roostercommissies en de rol van de OR en bestuurder alsook over de planning. Partijen maken tijdens en na de zitting nadere afspraken ter invulling hiervan, daarbij kijkend naar de korte, middellange en lange termijn. De rechter is verzocht om de behandeling vier weken aan te houden.

Vervolgens wordt het secretariaat van de bedrijfscommissie een aantal malen bericht over de stand van zaken van dat overlegtraject. Partijen zijn met elkaar in gesprek en langzaam worden er wat stappen gemaakt. De rechtszaak wordt opnieuw aangehouden.

In april 2012 - een aantal maanden later - ontvangt de bedrijfscommissie alsnog het verzoek om de bemiddeling verder op zich te nemen, omdat het verschil van inzicht tussen partijen niet kan worden overbrugd. Het komt erop neer dat de werktijdregelingen (de diensten en de rouleringen) wel voldoen aan de afspraken gemaakt in de bedrijfsregelingen, de cao Openbaar Vervoer en de arbeidstijdenwetgeving, maar dat de OR geen instemming verleent omdat hij van mening is dat het instemmingsrecht op de werktijdenregelingen gekoppeld is aan de aantallen/quota van uitzendkrachten/flexwerkers, waar partijen geen overeenstemming
over kunnen bereiken. Bestuurder geeft aan dat de rechtbank wordt geïnformeerd en dat het (opgeschorte) verzoek tot vervangende toestemming weer in behandeling kan worden genomen.

Daarop bericht de bedrijfscommissie bestuurder dat deze zich beter direct tot de kantonrechter kan wenden. Een gelijktijdige nieuwe bemiddelingspoging acht de bedrijfscommissie niet wenselijk, onder meer vanwege het feit dat de behandeltermijn van de bedrijfscommissie is afgelopen, de 30-dagen termijn waarbinnen partijen naar de rechter kunnen stappen, begin mei 2012 afloopt en bestuurder de kwestie al eerder bij de rechter aanhangig heeft gemaakt. De commissie geeft daarbij aan de kwestie als afgerond te beschouwen.

Gang naar de rechter
De rechter (1) verleent vervolgens vervangende toestemming.
Hij acht het standpunt van bestuurder dat instemming van de OR behoort te worden verkregen, indien aan de geldende regelgeving is voldaan, onjuist. De OR heeft ook inhoudelijke bezwaren jegens de regeling. Anderzijds betekent een (geringe) schending van de regelgeving niet per definitie een gerechtvaardigde onthouding van instemming door de OR. De kantonrechter weegt de argumenten over en weer (op basis van de redelijkheidstoets) en komt tot het oordeel dat de OR in redelijkheid zijn instemming niet op grond van de
inhoudelijke bezwaren had mogen onthouden.

  1. Kantonrechter Breda, 31 juli 2012, LJN BX3582
Er kunnen geen rechten worden ontleend aan dit bericht/deze tekst. Deze geanonimiseerde samenvatting van een bemiddelingsadvies van de bedrijfscommissie wordt gepubliceerd om inzage te geven in de aard van het uitgebrachte advies. Met deze publicatie wordt geen jurisprudentievorming beoogd, aangezien de commissie steeds met maatwerkoplossingen komt, gericht op het(/de) specifieke (omstandigheden van het) geval.

powered by sitecore