Bemiddelingsadvies BC Markt I 12.028

Sector: industrie

Trefwoordencentrale OR, gemeenschappelijke OR, structuur medezeggenschap

Kern van het geschil
Centraal staat de vraag hoe de structuur van de medezeggenschap binnen de Nederlandse tak van het internationaal actieve concern vorm gegeven dient te worden. In de vorm van een gemeenschappelijke OR of in de vorm van een Centrale Ondernemingsraad (COR)?
De activiteiten worden in Nederland vanuit acht locaties verricht. Bij drie vestigingen is een OR ingesteld en bij één vestigingsonderdeel een PVT. Bij de overige vestigingen en/of onderdelen daarvan zijn geen medezeggenschapsorganen ingesteld.

Standpunten partijen
De OR’en en PVT vinden dat de onderdelen die onder de onderneming vallen, in zodanige mate gemeenschappelijk op dezelfde wijze en door hetzelfde management worden aangestuurd dat de instelling van een gemeenschappelijke OR als bedoeld in art. 3, lid 1 WOR effectiever is dan drie afzonderlijke OR’en en een PVT. Volgens de door hen, met instemming van bestuurder, ingeschakelde deskundige wordt met een gemeenschappelijke OR beter recht gedaan aan de situatie waarbij de belangrijkste besluiten van de verschillende onderdelen op het gemeenschappelijke niveau worden genomen. Waar de besluiten op het niveau van de vestigingen worden genomen, in de praktijk alleen bij de drie vestigingen waar nu een OR is ingesteld, kan met de instelling van een onderdeelcommissie worden volstaan. Waar de besluiten boven de bestuurder worden genomen, kan met het leerstuk van de toerekening de OR alsnog het adviesrecht toekomen. Verder is de instelling van een gemeenschappelijke OR ook mogelijk in het geval er nog één OR binnen de organisatie resteert (welke situatie niet geheel ondenkbaar is). Een COR is dan niet mogelijk (daartoe dienen er minimaal twee OR’en in een organisatie te zijn).
Bestuurder is het hier niet mee eens. De zeggenschap is internationaal in de product lines geconcentreerd. De samenwerking tussen de product lines en verschillende vestigingen in Nederland is beperkt. De product lines hebben een leidinggevende die internationaal in de hiërarchie van de product lines rapporteert. De zeggenschap ligt bij die leidinggevenden. De afwezigheid van een bevoegde persoon op nationaal niveau, die zeggenschap heeft over alle Nederlandse activiteiten, maakt dat een gemeenschappelijke OR geen gesprekspartner heeft. Bestuurder wil de huidige medezeggenschapsstructuur aanpassen, omdat een substantieel deel van de werknemers nu niet vertegenwoordigd is. Maar hiertoe dient, naast de instelling van enkele OR’en of PVT’en waar nu nog geen medezeggenschapsvertegenwoordiging is, een centrale OR (COR) te worden ingesteld. Hierdoor kunnen de onderwerpen die zich beter lenen voor een centrale behandeling door de COR en de onderwerpen die voornamelijk een product line raken, in de desbetreffende product line (vestiging(en)) worden behandeld. Verder biedt een COR de mogelijkheid om onderdelen van de organisatie die geen vertegenwoordiging hebben rechtstreeks te vertegenwoordigen in een COR.

Bemiddelingsadvies
Partijen zijn het er over eens dat de medezeggenschap naar behoren dient te kunnen functioneren en dat waar nu geen medezeggenschap in onderdelen/vestigingen van de onderneming is geregeld, hierin dient te worden voorzien. De commissie adviseert partijen in eerste instantie om in overleg met elkaar tot een nadere invulling te komen van een structuur rondom een COR en de daaronder hangende decentrale medezeggenschapsorganen (OR’en en PVT’en).
Als partijen vervolgens laten weten niet tot overeenstemming te zijn gekomen en een gang naar de kantonrechter te overwegen, geeft de commissie partijen mee dat een medezeggenschapsstructuur rondom een COR binnen de organisatie een werkbare mogelijkheid is, indien er sprake is van een volwaardige en dekkende structuur, d.w.z. dat alle vestigingen en onderdelen van de organisatie daarin zijn betrokken. De medezeggenschap kan op deze wijze geplaatst worden bij de zeggenschap (de bedrijven zelf) en (de medezeggenschap
ten aanzien van) het gemeenschappelijke beleid komt aan de orde in de overkoepelende COR. Het is dus van belang dat alle onderdelen in de medezeggenschap participeren. Aan participatie kan ook vorm worden gegeven door een bedrijfsonderdeel waarin (nog) geen medezeggenschapsorgaan functioneert te betrekken in de COR. Daarvoor kent de WOR geen belemmeringen, noch bevat de WOR voorschriften ten aanzien van het (maximum) aantal leden van de COR.

NB
Het advies van de commissie wordt niet door de bestuurder opgevolgd en nader overleg tussen partijen leidt niet tot een oplossing. De OR’en wenden zich tot de kantonrechter. Deze stelt vast dat tussen de ondernemingen van het concern in elk geval enig gezamenlijk beleid bestaat op financieel, operationeel en personeelsniveau. De kantonrechter besteedt expliciete aandacht aan het advies van de Bedrijfscommissie om een COR in stellen. De Bedrijfscommissie heeft als uitgangspunt genomen dat alle vestigingen en onderdelen van de organisatie in de medezeggenschap moeten worden betrokken. Deze benadering veronderstelt naar de zienswijze van de kantonrechter evenwel constructief overleg tussen partijen over de voorwaarden waaronder een COR werkbaar zou zijn. Gelet op het vorenstaande acht de kantonrechter, anders dan de Bedrijfscommissie, de instelling van een GOR het meest wenselijk en bevorderlijk voor de juiste toepassing van de WOR (1).

  1. Kantonrechter Haarlem, zaak/rep.nr.593983 / EJ VERZ 12-285
Er kunnen geen rechten worden ontleend aan dit bericht/deze tekst. Deze geanonimiseerde samenvatting van een bemiddelingsadvies van de bedrijfscommissie wordt gepubliceerd om inzage te geven in de aard van het uitgebrachte advies. Met deze publicatie wordt geen jurisprudentievorming beoogd, aangezien de commissie steeds met maatwerkoplossingen komt, gericht op het(/de) specifieke (omstandigheden van het) geval.

powered by sitecore