Bemiddelingsadvies BC Markt I 12.029

Sector: industrie

Trefwoordengemeenschappelijke OR, structuur medezeggenschap

Kern van het geschil
Centraal staat de vraag of de instelling van een gemeenschappelijke OR bevorderlijk is voor een goede toepassing van de wet.

Standpunten partijen
De OR vindt dat de bestuurder ten behoeve van de B.V.’s B, C en D, alle drie eigendom van holding A, een gemeenschappelijke OR dient in te stellen conform art. 3, lid 1 WOR.
B is de enige B.V. met meer dan 50 werknemers en een OR. De OR wijst op diverse veranderingen in de organisatie van de drie B.V.’s sinds 1 december 2008, die hebben geleid tot een integratie van deze “zuster”-B.V.’s. Volgens de OR wordt binnen de drie B.V.’s een overwegend gemeenschappelijk bedrijfsbeleid op bedrijfseconomisch en arbeidsorganisatorisch gebied gevoerd. De bestuurder richt zich volgens de OR niet specifiek op B, maar hij betrekt ook het groepsbelang in zijn besluiten. De OR kan zich alleen richten op het belang van B, waardoor dit op gespannen voet kan staan met het groepsbelang. De ondernemingen worden wel gescheiden gehouden, maar er zijn onderwerpen die op de werkvloer en naar buiten toe verstrengeld zijn. Dit leidt tot ongelijkheid en spanningen op de werkvloer.
Bestuurder stelt dat de ondernemingen zelfstandig en onder eigen naam naar buiten treden en daarbij een eigen beleid volgen ten aanzien van de prijsstelling, distributiewijze en marketing. Een mogelijke harmonisatie van de activiteiten van de verschillende ondernemingen en de instelling van een gemeenschappelijke OR, zou bovendien een overtreding betekenen van een met een leverancier afgesloten concurrentiebeding. Over een jaar eindigt dat contract en zal bestuurder tijdens de onderhandelingen bekijken wat de mogelijkheden zijn - ook met het oog op de gewenste vorm van medezeggenschap. Op dit moment kan niet geconcludeerd worden dat de instelling van een gemeenschappelijke OR bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR. Verder is er volgens bestuurder bij de werknemers van C en D geen behoefte aan een gemeenschappelijke OR. Binnen C wordt medezeggenschap in de vorm van een PVT wenselijker geacht en wordt er geen ongelijkheid ervaren, hetgeen uit een voorlopige enquête naar voren is gekomen. Binnen D bestaat geen behoefte aan een medezeggenschapsorgaan.

Overwegingen en advies van de commissie
Tijdens de zitting blijkt dat ook al is buiten de OR van B geen ander medezeggenschapsorgaan, de medezeggenschapsrechtelijke onderwerpen wel met de werknemers besproken worden. Bestuurder blijkt welwillend ten opzichte van het instellen van een PVT bij C. Gelet op de omstandigheid dat van de drie B.V.’s in ieder geval bij B een OR is ingesteld en er van bestuurderszijde welwillendheid is getoond om bij C een PVT in te stellen, is daarmee een goede toepassing van de WOR binnen twee van de ondernemingen mogelijk. Het is echter lastig om in de huidige omstandigheden antwoord te geven op de kernvraag of de instelling van een gemeenschappelijke
OR bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR, nu er kennelijk een derde partij is, die geen partij is in het onderhavige verzoek, maar jegens wie wel contractuele verplichtingen gelden en die op gespannen voet kunnen komen te staan met de door de OR voorgestane medezeggenschapsstructuur. De commissie verwacht van bestuurder een maximale inspanning bij de komende contractsonderhandelingen met de derde partij, opdat de medezeggenschap binnen de gehele organisatie uiteindelijk de gewenste vorm
zal kunnen krijgen. De commissie adviseert bestuurder in elk geval op korte termijn over te gaan tot instelling van een PVT bij de onderneming C, hetgeen de uitvoering van de medezeggenschap aldaar ten goede zal komen. Verder acht de commissie het wenselijk dat mogelijk onderscheid tussen werknemers in medezeggenschapsrechtelijke zin zo spoedig mogelijk wordt weggenomen, opdat de eventuele spanning tussen groepen werknemers zoveel mogelijk tegengegaan c.q. voorkomen wordt.

Er kunnen geen rechten worden ontleend aan dit bericht/deze tekst. Deze geanonimiseerde samenvatting van een bemiddelingsadvies van de bedrijfscommissie wordt gepubliceerd om inzage te geven in de aard van het uitgebrachte advies. Met deze publicatie wordt geen jurisprudentievorming beoogd, aangezien de commissie steeds met maatwerkoplossingen komt, gericht op het(/de) specifieke (omstandigheden van het) geval.

powered by sitecore