Bemiddelingsadvies BC Markt II 12.004

Sector: zorg

Trefwoorden: pauzeregeling, cao, instemmingsrecht, pilot

Kern van het geschil
Bestuurder stelt voor om in afwijking van de cao VVT een pauzeregeling te hanteren, waarbij medewerkers op de werkplek pauzeren en de pauzetijd als werktijd wordt aangemerkt.
Het betreft een onderneming in de intramurale verzorgingshuiszorg, verpleeghuiszorg en thuiszorg. In één van de thuiszorglocaties is een aantal kleinschalige wooneenheden voor mensen met dementie gehuisvest. In deze wooneenheden geldt de eis dat in huiskamers permanent toezicht aanwezig is. Doorgaans is er één medewerker per wooneenheid aanwezig, waardoor pauzeren buiten de werkplek niet mogelijk is. De bestuurder verzoekt de OR om in te stemmen met pauzeren op de werkplek, waarbij de pauzetijd als werktijd wordt
aangemerkt. Deze diensten zullen alleen ingezet worden indien er (gepland) geen sprake is van een dubbele bezetting. De OR stemt niet in met de afwijkende pauzeregeling, omdat deze niet in lijn is met de pauzeregeling van de cao VVT.

Volgens bestuurder blijkt uit overleg dat al de betreffende medewerkers de voorgestelde pauzeregeling willen hanteren. Volgens hen draagt het pauzeren in de woning van cliënten bij aan de nodige rust en past dit bij het zorgconcept van kleinschalige zorg. De OR is van oordeel dat afwijken van de wet niet is toegestaan. Het is verder niet duidelijk voor welke delen van de organisatie het instemmingsverzoek geldt, terwijl de OR een eenduidige pauzeregeling voor de hele onderneming wil.

Overwegingen en advies van de commissie
Hoofdregel in de geldende wet- en regelgeving (Arbeidstijdenwet en -besluit) is dat een medewerker pauze moet hebben. Afwijking van deze hoofdregel is mogelijk via een collectieve regeling. In art. 5.1.4. cao VVT is bepaald dat instemming van de OR nodig is om af te wijken van de in dat artikel opgenomen pauzeregeling. Deze bepaling is hier echter niet aan de orde, nu art. 5.1.4. cao VVT de koffie- en theepauzes betreft.
Bestuurder heeft geen instemming gekregen en desondanks de afwijkende pauzeregeling doorgevoerd. Dit is in strijd met de wet. De bestuurder had op grond van ar. 27, lid 4 van de WOR de kantonrechter om toestemming kunnen vragen om het besluit door te voeren, maar heeft dat niet gedaan.
Nu de OR heeft aangegeven niet goed te kunnen overzien waar hij met het voorliggende verzoek precies mee zou instemmen en hoe verstrekkend dat is, ligt het op de weg van bestuurder om e.e.a. te verduidelijken. Van de OR mag verwacht worden dat hij niet alleen de belangen van de werknemers van de organisatie behartigt, maar ook goed en kritisch overlegt met bestuurder in het belang van het functioneren van de onderneming als geheel. Daarbij is van belang om te onderscheiden of hetgeen bestuurder verzoekt i) wettelijk is toegestaan en ii) in de praktijk werkt.
Onder de gegeven omstandigheden adviseert de commissie het instemmingsverzoek in te trekken en terug te gaan naar de fase van een pilot, waarbij een einddatum en duidelijke criteria dienen te worden geformuleerd aan de hand waarvan de pilot zal worden geëvalueerd. Bestuurder dient de OR intensief te betrekken bij het formuleren van de criteria. Na afloop van de pilot kan de OR dan een nieuw en duidelijk verzoek tot instemming worden voorgelegd. De OR zal dan op basis van de uitkomsten van de pilot ook gerichter op het verzoek kunnen reageren.

Er kunnen geen rechten worden ontleend aan dit bericht/deze tekst. Deze geanonimiseerde samenvatting van een bemiddelingsadvies van de bedrijfscommissie wordt gepubliceerd om inzage te geven in de aard van het uitgebrachte advies. Met deze publicatie wordt geen jurisprudentievorming beoogd, aangezien de commissie steeds met maatwerkoplossingen komt, gericht op het(/de) specifieke (omstandigheden van het) geval.

powered by sitecore