Bemiddelingsadvies BC Markt II 13.018

Sector: onderzoek en onderwijs

Trefwoorden: instemmingsrecht, regeling personeelsbeoordeling

Kern van het geschil

Het geschil gaat over een (al dan niet tot stand gekomen) regeling in het kader van het in de onderneming gevoerde beleid gericht op inzetbaarheid. De OR meent dat hem ter zake instemmingsrecht toekomt omdat sprake is van een regeling op het terrein van de personeelsbeoordeling en bevorderings- en ontslagbeleid. De bestuurder is van oordeel dat er in het geheel geen sprake is van vaststelling, wijziging of intrekking van enige regeling. De betreffende door de bestuurder op het intranet geplaatste flyer (door de OR gekwalificeerd als de nieuwe regeling) doet zijns inziens niets anders dan een al jaren bestaande praktijk beschrijven. 

Advies van de commissie

De commissie heeft allereerst aan de bestuurder haar respect en waardering uitgesproken voor de wijze waarop hij de onderneming door de afgelopen (moeilijke) periode heeft geleid.

Ten aanzien van de medezeggenschap heeft de commissie evenwel een gebrek aan vertrouwen geconstateerd tussen partijen. Hoewel van beide zijden de intenties zeker goed zijn, is niet uit te sluiten dat dit wantrouwen wordt gevoed door de manier van werken van bestuurder. Hoewel het an sich te prijzen is dat wordt geïnves­teerd in informele contacten en een laagdrempelig overlegklimaat, dient (meer) aandacht te bestaan voor het feit dat de WOR vereist dat bepaalde zaken via formele kaders worden ingestoken en afgekaart. De commissie benadrukt dat de WOR bepaalde doelen en wettelijke spelregels kent waar werknemers vertrouwen en (rechts) zekerheid aan moeten kunnen ontlenen.

Ten aanzien van het voorliggende geschil is de commissie van mening dat de mobiliteitsgesprekken die met medewerkers naast de reguliere R&O-gesprekken zijn en worden gevoerd en waarin van-werk-naar-werktrajecten aan de orde komen, zeker gelet op de omvang, moeten worden aange­merkt als te zijn gebaseerd op een (personele) regeling als bedoeld in artikel 27, lid 1, sub g en sub e, van de WOR. De gesprekken vinden in zodanige aantallen plaats dat er sprake is van een (systematisch en categorisch toegepast) beleid. Naar de commissie heeft begrepen was de inhoud/systematiek van deze gesprekken niet van te voren kenbaar bij betrokkenen. Over de kaders van deze gesprekken en de daaraan te ontlenen bescherming van de medewerkers had de OR op formele basis de gesprekspartner van de bestuurder moeten zijn. Dat betekent dat er naar het oordeel van de commissie alsnog een (formeel) instemmingsverzoek dient te komen.

De commissie adviseert bestuurder dit instemmingsverzoek zo spoedig mogelijk aan de OR voor te leggen. Met de getoonde bereidheid van de OR om bij het hierover te voeren overleg als constructieve partner op te treden, moet volgens de commissie de afronding van dit traject spoedig zijn beslag kunnen krijgen. De OR heeft aangegeven dat hij op pragmatische wijze met zijn instemmingsbevoegdheid wil omgaan en positief wil meedenken over de vormgeving van een mobiliteitsbeleid. Naar het oordeel van de commissie liggen partijen inhoudelijk minder ver uit elkaar dan dat zij (mogelijk) denken. 

NB: Van de OR vernam de bedrijfscommissie de minimale invulling die de bestuurder aan het advies van de bedrijfscommissie heeft gegeven, voor de OR aanleiding is geweest om de rechter om een uitspraak te vragen.


Er kunnen geen rechten worden ontleend aan dit bericht/deze tekst. Deze geanonimiseerde samenvatting van een bemiddelingsadvies van de bedrijfscommissie wordt gepubliceerd om inzage te geven in de aard van het uitgebrachte advies. Met deze publicatie wordt geen jurisprudentievorming beoogd, aangezien de commissie steeds met maatwerkoplossingen komt, gericht op het(/de) specifieke (omstandigheden van het) geval.

powered by sitecore