Bemiddelingsadvies BC Markt II 13.022

Sector: zorg 

Trefwoordeninstemmingsrecht(tegemoetkoming) kledingkosten

Kern van het geschil

Het geschil gaat over het binnen de zorginstelling te voeren kledingbeleid. De OR is van mening dat hem instemmingsrecht toekomt met betrekking tot de (wijziging van de) Richtlijn Burgerkleding en hem is ook om instemming gevraagd, echter uiteindelijk is de richtlijn ingevoerd zonder dat de instemming van de OR is ver­kregen; er is ook geen vervangende toestemming aan de kantonrechter gevraagd. De bestuurder meent dat er geen sprake is van een instemmingsplichtig besluit. Mocht daar onverhoopt toch sprake van zijn dan betreft het slechts een uitvoering van een aanwijzing van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). 

Advies van de commissie

Dat de bestuurder de OR om instemming ten aanzien van de wijziging van de richtlijn heeft verzocht in januari 2013 (en ook in eerdere gevallen), is voor de commissie niet voor discussie vatbaar. De OR mocht er derhalve op vertrouwen dat hem het instemmingsrecht in de zin van de WOR werd toegekend, temeer nu op 19 maart 2013 de bestuurder aan de OR meedeelt dat hij zijn reactie op het ter instemming voorgelegde voorstel graag tegemoet ziet. Naar het oordeel van de commissie is er sprake van een ingediend instemmingsverzoek. Volgens vaste jurisprudentie kan een eenmaal gedaan verzoek om instemming niet eenzijdig door de bestuur­der worden ingetrokken. Voorts kan naar het oordeel van de commissie worden vastgesteld dat er geen sprake is van (onvoorwaardelijk) door de OR verleende instemming.

Er ligt een verplichting vanuit de IGZ en dat aan die verplichting moet worden voldaan wordt ook niet door de OR bestreden. De manier waarop de richtlijnen van de IGZ moeten worden nageleefd en de condities waaron­der laten echter wel ruimte voor overleg tussen bestuurder en OR.

De OR heeft formeel het recht om zijn instemming aan een instemmingsverzoek te onthouden. De redenen waarom de OR in dit geval zijn instemming heeft onthouden, worden door de commissie niet als onredelijk beoordeeld.

Wat partijen voornamelijk verdeeld houdt zijn de consequenties van de naleving van de richtlijnen van de IGZ, met name het al dan niet tegemoetkomen in de meerkosten voor de medewerkers. De commissie realiseert zich tevens dat een kostentegemoetkoming voor de begroting van de onderneming consequenties heeft. Omdat de financiële toekomst van de onderneming onhelder is, is het naar het oordeel van de commissie niet wenselijk dat er een tegemoetkomingsregeling tot stand komt die in tijd niet is begrensd.

De commissie adviseert partijen daarom te komen tot een in tijd begrensde tegemoetkoming voor alle medewerkers die het aangaat. Doordat de medewerkers ook onder de oude regeling was- en droogkosten moesten maken, acht de commissie een tegemoetkoming van 50% van de kosten, zoals deze door het Nibud zijn berekend, redelijk. Deze tegemoetkoming zou vooralsnog moeten gelden voor een periode van vijf jaar, tenzij binnen deze periode in de cao de materie inhoudelijk wordt geregeld. Indien dit laatste niet het geval is kunnen partijen na de periode van vijf jaar, rekening houdend met onder meer een verantwoorde financiële positie van de onderneming, besluiten over het al dan niet voortzetten van een tegemoetkomingsregeling.


Er kunnen geen rechten worden ontleend aan dit bericht/deze tekst. Deze geanonimiseerde samenvatting van een bemiddelingsadvies van de bedrijfscommissie wordt gepubliceerd om inzage te geven in de aard van het uitgebrachte advies. Met deze publicatie wordt geen jurisprudentievorming beoogd, aangezien de commissie steeds met maatwerkoplossingen komt, gericht op het(/de) specifieke (omstandigheden van het) geval.

powered by sitecore