Bemiddelingsverzoeken 2014 Bedrijfscommissie Markt I en II


Bemiddelingsverzoek BC Markt II 14.011

De OR meent dat de bestuurder is afgeweken van het principe om naar aanleiding van (positieve) eindejaarsbeoordelingen aan medewerkers een beloning toe te kennen (in de vorm van een trede in een salarisschaal). De OR wil antwoord krijgen op de vraag of deze wijziging in het beloningsbeleid een (instemmingsplichtige) wijziging betreft in de zin van artikel 27, lid 1 WOR. De bestuurder is van mening dat de organisatie een beloningssystematiek kent waarin weliswaar sprake is van een jaarlijkse indexatie van de lonen, maar waar de overige verhogingen individueel jaarlijks door de directeur werden en worden bepaald en niet automatisch zijn gekoppeld aan het functioneren. De bestuurder is van mening dat die beloningssystematiek niet is gewijzigd. Wel is naar de mening van de bestuurder - ingegeven door veranderde marktomstandigheden - sprake van een matiging van de loonontwikkeling. Aangezien deze wordt toegepast binnen de geldende beloningssystematiek, is de bestuurder van mening dat dit niet instemmingsplichtig is.

Bemiddelingverzoek BC Markt I 14.008

Dhr. X, lid van de OR, stelt sinds enige maanden een conflict / vertrouwensbreuk te hebben met (het DB van) de OR. Hij stelt dat de ontstane situatie door het DB is besproken met de ondernemer en dat daardoor (de verlenging van) zijn arbeidscontract onder druk is komen te staan. Verzoeker wenst via de procedure bij de BC Markt I een aantal zaken te bewerkstelligen waaronder excuses van het DB en het (rechtsgeldig) gaan gebruiken door de OR van het OR-reglement. De OR is van mening dat dhr. X niet in de OR functioneert en dat hij ernstig afbreuk doet aan het imago van de OR.

Bemiddelingsverzoek BC Markt II 14.007

Per januari 2013 zijn de acht divisies van een zorginstelling overgegaan in vier zogenaamde zorgbedrijven, waarbij vijf van de voormalige divisies onderdeel zijn gaan uitmaken van één zorgbedrijf (‘Zorgbedrijf X’). Teneinde het overleg goed vorm te geven tussen de directeur van het Zorgbedrijf X en de vijf OR’en van de verschillende divisies die deel uit zijn gaan maken van dit zorgbedrijf, is een bijzondere OR (BOR) ingesteld, bestaande uit 15 leden. De BOR is het niet eens met het aantal zetels dat de bestuurder wil gaan hanteren voor de samenstelling van de nieuwe OR voor het zorgbedrijf.

Bemiddelingverzoek BC Markt I 14.007

Middels een gezamenlijk verzoekschrift wensen OR en bestuurder een uitspraak te krijgen rondom de rechten van beide partijen inzake keuze van c.q. invloed op de OR-training/opleiding. In het overleg stuiten partijen bij herhaling op onderlinge verschillen van inzicht ten aanzien van enerzijds de keuzevrijheid van de OR en anderzijds de beslissingsbevoegdheid in deze van de bestuurder. Het verzoek is behandeld door de scholingskamer van de Bedrijfscommissie Markt I.

Bemiddelingsverzoek BC Markt II 14.006

Als gevolg van een herstructurering binnen een MBO-organisatie is de bestuurder mede verantwoordelijk geworden voor een bepaalde stichting. Besloten is om de structuur van die stichting te wijzigen naar een BV holding, met daaronder twee werkmaatschappijen. Binnen de organisatie functioneert een OR en met ingang van mei 2014 is voor beide werkmaatschappijen een PVT ingesteld, waaraan extra bevoegdheden zijn toegekend (vergelijkbaar met die van een OR).
Hoewel de OR zich kon vinden in de argumenten voor de structuurwijziging, is er een verschil van mening ontstaan met betrekking tot de medezeggenschap binnen de werkmaatschappijen.

Bemiddelingverzoek BC Markt I 14.006

Verzoeker wenst de instelling van een OR te bewerkstelligen. Het verzoek tot bemiddeling wordt gesteld te zijn gedaan uit naam van een groep van 17 (over verschillende bedrijfsonderdelen verspreide) werknemers. Verzoeker meent dat hij in zijn wens (structureel) wordt tegengewerkt door de bestuurder. Hij is er van overtuigd dat hij in zijn recht staat en dat een bedrijf met een paar honderd medewerkers (conform wet en cao) verplicht is een OR te hebben.

Bemiddelingsverzoek BC Markt II 14.005

De OR verzoekt de BC Markt II om bemiddeling omtrent de vraag of sprake is van het uitvoering geven aan een beoordelingssysteem en of hierbij het instemmingsrecht van de OR in acht genomen dient te worden op grond van artikel 27, lid 1 sub g WOR. De OR is van mening dat sprake is van een invoering van een beoordelingssysteem waarvoor het instemmingsrecht geldt. De bestuurder is van mening dat het management slechts gebruik maakt van een beschikbaar HRM-instrument en dat hier geen sprake is van een (nieuw) beoordelingssysteem.

Bemiddelingverzoek BC Markt I 14.005

Partijen verschillen van mening over de vraag of de OR het recht heeft op volledige inzage in het (drie keer per jaar plaatsvindende) medewerkerstevredenheidsonderzoek (hierna: MTO). De OR heeft meerdere malen bij de bestuurder het verzoek gedaan tot het inzien hiervan en het verkrijgen van de data voortkomend uit het MTO. De OR heeft tot op heden slechts ten dele de verzochte informatie mogen inzien in de vorm van een presentatie. De OR stelt dat hij de data nodig heeft om deze zelf te analyseren en tot een eigen conclusie te komen. De bestuurder stelt zich op het standpunt dat het delen van de volledige MTO niet nodig is en niet zou mogen uit privacy-oogpunt.

Bemiddelingsverzoek BC Markt II 14.004

Verzoeker is OR-lid en stelt vanwege zijn optreden in de OR, ‘persona non grata’ is geworden. Hij stelt dat zijn optreden en rol in de OR heeft geleid tot sancties. De directeur ontkent dat er een relatie zou zijn tussen de beoordeling van het functioneren van verzoeker (in 2013) en zijn functioneren als OR-lid. Nog voordat hij toetrad tot de OR heeft hij al signalen gekregen dat zijn functioneren niet conform verwachting was.

Bemiddelingverzoek BC Markt I 14.004

De OR verzoekt de BC Markt I om bemiddeling inzake de relatie tussen de OR en de bestuurder. Naar de mening van de OR worden zijn rechten door de bestuurder niet erkend. De OR vindt het onacceptabel dat een bestuurder zich onttrekt aan zijn wettelijke verplichtingen. De bestuurder erkent dat er spanning is ontstaan tussen de OR en de ondernemer. Een niet onbelangrijke oorzaak van deze spanning lijkt te liggen in de overname van de onderneming in 2011. De bestuurder onderstreept dat het van belang is dat partijen weer constructief kunnen overleggen en dat partijen grip krijgen op elkaars bevoegdheden.

Bemiddelingsverzoek BC Markt II 14.003

De activiteiten van de organisatie waar dit geschil zich afspeelt zijn ondergebracht in verschillende BV’s. Voor de verschillende BV’s, waar afzonderlijk geen 50 personen werkzaam zijn, is één PVT ingesteld. Kern van het geschil vormt de wens van de PVT om een OR voor de organisatie in te stellen. De PVT meent dat na verkiezing (van de huidige PVT) is gebleken dat, gezien het aantal medewerkers dat werkzaam is bij de organisatie, niet een PVT maar een OR had moeten worden ingesteld. De bestuurder meent echter dat het momenteel niet het geijkte moment is om een OR in te stellen omdat de komende periode zijns inziens cruciaal gaat worden voor de organisatie en hij rekening houdt met grote veranderingen vanwege de op handen zijnde transities.

Bemiddelingverzoek BC Markt I 14.003

Naar de mening van de bestuurder is er een fundamentele vertrouwenskwestie ontstaan, waarbij het vertrouwen in het handelen en functioneren van de voorzitter van de OR volledig is weggevallen. Door deze vertrouwensbreuk wordt het overleg van de OR met de bestuurder ernstig belemmerd. De bestuurder wenst de voorzitter gedurende de resterende zittingstijd van de OR uit te sluiten. De OR is van mening dat er geen sprake is van handelen en optreden zodanig dat het vertrouwen in de voorzitter kan zijn geschonden. De OR staat achter de voorzitter.

Bemiddelingsverzoek BC Markt II 14.002

Het geschil spitst zich toe op de vormgeving van de medezeggenschap binnen de organisatie. Van de 120 mensen die in de betreffende organisatie werkzaam zijn, zijn (slechts) 16 personen in vaste dienst; het overige personeelsbestand wordt gevormd door vrijwilligers. Verzoekers zijn van mening dat binnen de organisatie de instelling van een OR de aangewezen vorm van medezeggenschap is. De bestuurder is echter van mening dat een PVT een geschikt platform biedt voor medezeggenschapsoverleg binnen de organisatie. Een PVT volstaat zijns inziens ook in juridische zin. De bestuurder acht een OR een te zwaar orgaan voor de organisatie.

Bemiddelingsverzoek BC Markt II 14.001

Dit geschil behelst de toekenning van de eindejaarsuitkering (hierna: EJU) binnen een organisatie werkzaam in de kinderopvang. Ten tijde van het geschil ontvingen medewerkers op basis van artikel 5.7 cao Kinderopvang een EJU van maximaal 3,5%. Het uit te keren percentage was afhankelijk van het behalen van financiële resultaten en/of andere doelen die werkgever en OR vooraf hadden afgesproken. Daartoe diende de werkgever een voorstel voor de te bereiken doelen en/of resultaten voor de EJU vóór 1 januari ter instemming bij de OR in te dienen en moesten OR en werkgever vervolgens vóór 1 juli overeenstemming bereiken over de EJU-opbouw voor dat jaar. Nadat de OR het eerste voorstel van de bestuurder had afgewezen zijn daarin nog diverse aanpassingen aangebracht. De OR heeft uiteindelijk niet ingestemd met de door de bestuurder voorgestelde doelen.

Bemiddelingverzoek BC Markt I 14.001

Kern van het geschil vormt de wens van verzoeker (een vakbond) om een OR voor de organisatie te bewerkstelligen. De bestuurder is hiertoe naar de mening van verzoeker op grond van de WOR verplicht maar is tot dusverre in gebreke gebleven om aan deze wettelijke verplichting te voldoen. Van een geschil is naar de mening van de bestuurder geen sprake. Hij heeft zijns inziens verzoeker duidelijk aangegeven dat hij, conform de wettelijke verplichting, zal toetsen of er voldoende draagvlak onder het voltallige personeel is voor (her)invoering van een OR en dat, mocht blijken dat hiervan sprake is, hij zal zorgen dat de OR nieuw leven zal worden ingeblazen.

powered by sitecore