Bemiddelingverzoek BC Markt I 14.001

Sector: installatietechniek 

Trefwoordeninstelling OR

Kern van het geschil

Kern van het geschil vormt de wens van verzoeker (een vakbond) om een OR voor de organisatie te bewerkstelligen. De bestuurder is hiertoe naar de mening van verzoeker op grond van de WOR verplicht maar is tot dusverre in gebreke gebleven om aan deze wettelijke verplichting te voldoen. Van een geschil is naar de mening van de bestuurder geen sprake. Hij heeft zijns inziens verzoeker duidelijk aangegeven dat hij, conform de wettelijke verplichting, zal toetsen of er voldoende draagvlak onder het voltallige personeel is voor (her)invoering van een OR en dat, mocht blijken dat hiervan sprake is, hij zal zorgen dat de OR nieuw leven zal worden ingeblazen.

Advies van de commissie

Mede vanwege de houding van partijen zag de commissie geen ruimte voor bemiddeling.
De commissie constateert op basis van de stukken en hetgeen ter zitting is verwoord dat het aantal medewerkers dat bij de organisatie werkzaam is, zodanig is dat de instelling van een OR op grond van de WOR verplicht is. Daarbij komt dat er vooralsnog voldoende belangstelling lijkt te bestaan onder het personeel (dan wel in ieder geval bij leden van verzoeker) voor het instellen van een OR. De ondernemer dient om invulling te geven aan de wettelijke verplichting de omstandigheden te creëren waaronder het mogelijk wordt een verkiezing te organiseren. Het passief wachten op vijf of meer kandidaten, die volgens de ondernemer nodig zouden zijn, acht de commissie een niet toereikende invulling van die wettelijke verplichting. Waar een OR-reglement uit kan gaan van vijf OR-leden, kan een OR reeds functioneren met drie gekozen leden. Bovendien kan in het belang van een goede toepassing van de wet afgeweken worden van het in artikel 6 WOR genoemde aantal OR-leden.

De commissie is niet van enige omstandigheid gebleken op basis waarvan de instelling van een OR niet of nog niet aan de orde zou moeten zijn. De commissie adviseert bestuurder dan ook om met onmiddellijke ingang, in samenwerking met de betrokkenen en belanghebbenden (waaronder mogelijk degenen die hun belangstelling al te kennen hebben gegeven), daadwerkelijk en vanuit een positieve grondhouding te investeren in het vormgeven van de medezeggenschap binnen de onderneming. Dit kan bewerkstelligd worden door zo spoedig mogelijk de verkiezing uit te schrijven. De commissie wil bestuurder erop wijzen dat ten aanzien van de verkiezingsprocedure ook een wettelijke rol is weggelegd voor de verenigingen van werknemers als bedoeld in artikel 9, lid 2 onder a WOR. Zo dienen zij de mogelijkheid te hebben kandidatenlijsten aan te leveren en hebben zij het recht te worden gehoord over het voorlopige reglement.

NB

Op 14 november 2014 heeft Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in de zaak tussen bovengenoemde partijen. Zaaknummer: 3087513 / VZ VERZ 14-6302. De verzoekende partij is daarbij niet-ontvankelijk verklaard (geen belanghebbende in de zin van artikel 36 WOR).

In navolging van bovengenoemde beschikking heeft het Gerechtshof Den Haag op 12 mei 2015 uitspraak gedaan in hoger beroep. Het Hof heeft de tussen partijen gewezen beschikking van de rechtbank vernietigt en (o.a.) bepaalt dat de organisatie gehouden is om voor haar onderneming een OR in te stellen.

Er kunnen geen rechten worden ontleend aan dit bericht/deze tekst. Deze geanonimiseerde samenvatting van een bemiddelingsadvies van de bedrijfscommissie wordt gepubliceerd om inzage te geven in de aard van het uitgebrachte advies. Met deze publicatie wordt geen jurisprudentievorming beoogd, aangezien de commissie steeds met maatwerkoplossingen komt, gericht op het(/de) specifieke (omstandigheden van het) geval.

powered by sitecore