Bemiddelingverzoek BC Markt I 14.006

Sector: detailhandel 

Trefwoordeninstelling OR, Gemeenschappelijke ondernemingsraad (GOR)

Kern van het geschil

Verzoeker wenst de instelling van een OR te bewerkstelligen. Het verzoek tot bemiddeling wordt gesteld te zijn gedaan uit naam van een groep van 17 (over verschillende bedrijfsonderdelen verspreide) werknemers. Verzoeker meent dat hij in zijn wens (structureel) wordt tegengewerkt door de bestuurder. Hij is er van overtuigd dat hij in zijn recht staat en dat een bedrijf met een paar honderd medewerkers (conform wet en cao) verplicht is een OR te hebben. Verzoeker wenst dat de organisatie een eerlijke en transparante inventarisatie doet onder al het personeel, teneinde duidelijk zicht te krijgen op het draagvlak voor een OR. Bestuurder meent dat de organisatie niet gehouden is een OR op te richten. De gezamenlijke bedrijfsonderdelen zijn namelijk niet aan te merken als één onderneming in de zin van de WOR. Gelet op het beperkte draagvlak voor de instelling van een OR en het feit dat de verzoekers geen representatieve afspiegeling van het personeel vormen kan er ook geen werkbare OR tot stand komen. Deze conclusie wordt gesteund door de vakbond.

Advies van de commissie

Mede vanwege de opstelling van partijen zag de commissie geen ruimte voor bemiddeling. In haar advies benadrukt zij duidelijk de inspanningsverplichting van artikel 2 WOR. Daarnaast gaat zij in op de mogelijkheid van een gemeenschappelijke OR krachtens artikel 3 WOR.

Hoewel de commissie het initiatief van de bestuurder om op reguliere basis regiobijeenkomsten te organiseren, in positieve zin kwalificeert, betekent dit niet dat de organisatie naar haar oordeel daarmee aan al haar verplichtingen in het kader van de medezeggenschap op grond van de WOR heeft voldaan. Uit hetgeen zij op basis van de stukken en ter zitting heeft begrepen kan de onderneming getypeerd worden als één onderneming in de zin van de WOR. Maar ook voor zover van een onderneming in de zin van artikel 2 WOR (deels) geen sprake zou zijn, zou de instelling van een gemeenschappelijke OR (in de zin van artikel 3 van de WOR) bevorderlijk kunnen zijn voor een goede toepassing van de WOR in de betrokken ondernemingen.

De commissie adviseert dan ook om (allereerst) zo spoedig mogelijk het draagvlak voor een van de (in artikel 2 respectievelijk artikel 3 WOR) genoemde vormen van medezeggenschap te toetsen.
De recent in gang gezette regiobijeenkomsten kunnen worden benut als een mogelijkheid om de uitkomsten van het draagvlakonderzoek en de meest wenselijke vorm van medezeggenschap in de organisatie te bespreken en nader te onderzoeken.
Mocht het instrument van de enquête voor het draagvlakonderzoek gebruikt worden, dan raadt de commissie de bestuurder aan om in samenwerking met de betrokkenen en belanghebbenden (waaronder mogelijk degenen die hun belangstelling al te kennen hebben gegeven), daaraan vorm en inhoud te geven.

Ingeval er ondanks deze inspanningen onvoldoende belangstelling onder personeelsleden voor een formele vorm van medezeggenschap zou blijken te bestaan (bijvoorbeeld omdat er zich te weinig kandidaten aanmelden), dan kan de bestuurder zijn inspanning voor dat moment laten rusten en het na enige tijd (bijvoorbeeld een half jaar of een jaar) opnieuw proberen.  

Er kunnen geen rechten worden ontleend aan dit bericht/deze tekst. Deze geanonimiseerde samenvatting van een bemiddelingsadvies van de bedrijfscommissie wordt gepubliceerd om inzage te geven in de aard van het uitgebrachte advies. Met deze publicatie wordt geen jurisprudentievorming beoogd, aangezien de commissie steeds met maatwerkoplossingen komt, gericht op het(/de) specifieke (omstandigheden van het) geval.

powered by sitecore