Bemiddelingverzoek BC Markt I 14.007

Sector: dienstverlening 

Trefwoordenscholing

Kern van het geschil

Middels een gezamenlijk verzoekschrift wensen OR en bestuurder een uitspraak te krijgen rondom de rechten van beide partijen inzake keuze van c.q. invloed op de OR-training/opleiding. In het overleg stuiten partijen bij herhaling op onderlinge verschillen van inzicht ten aanzien van enerzijds de keuzevrijheid van de OR en anderzijds de beslissingsbevoegdheid in deze van de bestuurder.
Het verzoek is behandeld door de scholingskamer van de Bedrijfscommissie Markt I.

Overwegingen en oordeel scholingskamer

OR-leden hebben een wettelijk recht op scholing. De ondernemer is verplicht de leden van de OR gedurende een door de ondernemer en de OR gezamenlijk vast te stellen aantal dagen per jaar, in werktijd en met behoud van loon, de gelegenheid te bieden de scholing en vorming te ontvangen die zij voor de vervulling van hun taak nodig oordelen. De dagen worden vastgesteld op een zodanig aantal als de leden van de OR voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze nodig hebben, maar niet lager dan de in artikel 18, lid 3 WOR genoemde minima. De ondernemer is verplicht de kosten die redelijkerwijze noodzakelijk zijn voor de scholing en vorming van OR-leden te betalen. De scholing moet volgens artikel 18, lid 2 ‘van voldoende kwaliteit’ zijn.

De systematiek van de WOR ten aanzien van het recht op scholing en vorming van leden van de OR behelst dat de OR in beginsel en binnen het redelijke zelf kan bepalen hoe de dagen die hij nodig acht voor scholing en vorming worden ingevuld (inhoud en duur, scholingsinstituut, tijdstip en plaats). De term in beginsel impliceert dat de OR binnen de wettelijke minima zelf het aantal benodigde dagen voor scholing en vorming kan vaststellen, maar dat voor meer dagen scholing en vorming dan het wettelijke minimum de instemming van de ondernemer nodig is. De term binnen het redelijke betekent dat zolang de in totaal met de scholingsbehoeften gemoeide kosten in lijn liggen met een bedrag dat gelijk is aan het richtbedrag van de SER-Commissie Bevordering Medezeggenschap (CBM), vermenigvuldigd met het aantal dagen (of dagdelen) waarop de scholing feitelijk zal plaatsvinden, die kosten in beginsel als redelijkerwijs noodzakelijke kosten moeten worden aangemerkt.

De scholingskamer wijst er in de richting van de bestuurder voor de volledigheid nog op dat scholing en vorming van OR-leden zich (in elk geval) in die zin onderscheidt van scholing van het personeel in algemene zin, dat in het eerste geval het de OR zelf is die zijn scholingbehoefte dient te bepalen.

Slagen ondernemer en OR er niet in om het met elkaar eens te worden over de vaststelling van het aantal uren en/of dagen, dan kan een verzoek worden gedaan aan de kantonrechter op grond van artikel 36, lid 2 WOR. De verzoeker kan hierbij aan de kantonrechter vragen te bepalen dat de andere partij meewerkt aan de vaststelling van het aantal dagen op een zodanig aantal als naar het oordeel van de verzoeker redelijkerwijs nodig is voor de vervulling van de taak van de betrokken leden van de OR en de commissies van de OR.

NB

Dit betreft het eerste uitgesproken oordeel van de scholingskamer van de BC Markt I. Behalve dat sprake is van een oordeel (in plaats van een advies) onderscheid de procedure bij de scholingskamer zich in die zin van de reguliere procedure bij bemiddelingsverzoeken dat daarbij kortere behandeltermijnen gelden en er in beginsel geen zitting wordt gehouden.
In haar oordeel is de commissie ook nader ingegaan op de richtbedragen van de CBM en de Stichting Certificering Opleiding Ondernemingsraden (SCOOR).

Het oordeel van de scholingskamer heeft veel publiciteit in de vakmedia opgeleverd. Het nieuwsbericht, vergezeld met het gehele oordeel (geanonimiseerd) is te raadplegen via deze link.   

Er kunnen geen rechten worden ontleend aan dit bericht/deze tekst. Deze geanonimiseerde samenvatting van een bemiddelingsadvies van de bedrijfscommissie wordt gepubliceerd om inzage te geven in de aard van het uitgebrachte advies. Met deze publicatie wordt geen jurisprudentievorming beoogd, aangezien de commissie steeds met maatwerkoplossingen komt, gericht op het(/de) specifieke (omstandigheden van het) geval.

powered by sitecore