Bemiddelingsverzoek BC Markt II 14.001

Sector: kinderopvang 

Trefwoorden: eindejaarsuitkering,  instemmingsrecht

Kern van het geschil

Dit geschil behelst de toekenning van de eindejaarsuitkering (hierna: EJU) binnen een organisatie werkzaam in de kinderopvang. Ten tijde van het geschil ontvingen medewerkers op basis van artikel 5.7 cao Kinderopvang een EJU van maximaal 3,5%. Het uit te keren percentage was afhankelijk van het behalen van financiële resultaten en/of andere doelen die werkgever en OR vooraf hadden afgesproken. Daartoe diende de werkgever een voorstel voor de te bereiken doelen en/of resultaten voor de EJU vóór 1 januari ter instemming bij de OR in te dienen en moesten OR en werkgever vervolgens vóór 1 juli overeenstemming bereiken over de EJU-opbouw voor dat jaar. Nadat de OR het eerste voorstel van de bestuurder had afgewezen zijn daarin nog diverse aanpassingen aangebracht. De OR heeft uiteindelijk niet ingestemd met de door de bestuurder voorgestelde doelen.

Bemiddelingsadvies

Het is de commissie duidelijk geworden dat de organisatie in zwaar weer verkeert en dat de financiële ruimte voor de werkgever zeer beperkt is. Kijkend naar het onderliggende geschil stelt de commissie vast dat er in de loop van het proces diverse bewegingen zijn gedaan.
De commissie heeft waardering voor het feit dat de bestuurder, in een uiterste poging tot een oplossing van het geschil te komen, ter zitting nog een compromisvoorstel heeft gedaan.

De thans ontstane feitelijke situatie en het voorstel van de bestuurder beziend, adviseert de commissie de bestuurder over het jaar 2013 een EJU aan alle medewerkers in 2014 uit te keren van 1,75%, zijnde de helft van wat krachtens de cao uitbetaald zou moeten worden indien vooraf bepaalde doelen zouden zijn gerealiseerd. De commissie legt aan dit advies mede ten grondslag dat de feitelijk uitgekeerde EJU ook in de voorgaande jaren grosso modo is uitgekomen op eenzelfde percentage. De commissie gaat er verder van uit dat in 2013 door medewerkers (extra) inspanningen zijn verricht om het resultaat van de organisatie te verbeteren. Voorts is dit advies ingegeven door het tijdstip waarop dit geschil wordt beslecht: het kalenderjaar waarop de uitkering betrekking heeft is reeds voorbij zodat van te beïnvloeden doelen geen sprake meer kan zijn. Tot slot gaat de commissie ervan uit dat de organisatie met dit advies ook in financieel opzicht verder kan. Hier is uiteindelijk de gehele organisatie (waaronder alle medewerkers) het meeste bij gebaat.

Het uitsmeren van de EJU-uitbetaling over een aantal jaren, zoals door bestuurder voorgesteld in zijn compromisvoorstel, acht de commissie niet wenselijk. De commissie verwacht bovendien dat dit veel onbegrip bij de medewerkers teweeg zal brengen. Zij adviseert daarom de uitkering in ieder geval in 2014 te laten plaatsvinden, waarbij het aan partijen is om over het tijdstip of de tijdstippen van uitbetaling in 2014, nadere gezamenlijke afspraken te maken. 

NB

Artikel 5.7 uit de betreffende cao is per 1 januari 2014 vervallen.
Partijen lieten na enige tijd weten op basis van het advies tot een oplossing van het geschil te zijn gekomen.

Over deze zaak is een best-practice artikel verschenen in het SER-magazine van november 2014.

Er kunnen geen rechten worden ontleend aan dit bericht/deze tekst. Deze geanonimiseerde samenvatting van een bemiddelingsadvies van de bedrijfscommissie wordt gepubliceerd om inzage te geven in de aard van het uitgebrachte advies. Met deze publicatie wordt geen jurisprudentievorming beoogd, aangezien de commissie steeds met maatwerkoplossingen komt, gericht op het(/de) specifieke (omstandigheden van het) geval.

powered by sitecore