Bemiddelingsverzoek BC Markt II 14.002

Sector: ANBI 

Trefwoorden: instelling OR

Kern van het geschil

Het geschil spitst zich toe op de vormgeving van de medezeggenschap binnen de organisatie. Van de 120 mensen die in de betreffende organisatie werkzaam zijn, zijn (slechts) 16 personen in vaste dienst; het overige personeelsbestand wordt gevormd door vrijwilligers. Verzoekers zijn van mening dat binnen de organisatie de instelling van een OR de aangewezen vorm van medezeggenschap is. De bestuurder is echter van mening dat een PVT een geschikt platform biedt voor medezeggenschapsoverleg binnen de organisatie. Een PVT volstaat zijns inziens ook in juridische zin. De bestuurder acht een OR een te zwaar orgaan voor de organisatie.

Advies van de commissie

De commissie acht het standpunt van de verzoekende partij niet juist. Volgens artikel 2 WOR is, indien er in de regel 50 of meer ‘in de onderneming werkzame personen’ zijn binnen een onderneming, de ondernemer die deze onderneming in stand houdt, verplicht om een OR in te stellen. Volgens de toepasselijke cao geldt deze verplichting reeds bij 35 werknemers. Onder ‘in de onderneming werkzame persoon’ wordt verstaan degene die op basis van (o.m.) een arbeidsovereenkomst met de ondernemer in de onderneming werkt. Volgens artikel 6, lid 4 WOR kunnen, indien dat bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR in de onderneming, OR en ondernemer gezamenlijk een of meer groepen die anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst met de ondernemer regelmatig in de onderneming arbeid verrichten, aanmerken als in de onderneming werkzame personen, dan wel juist groepen niet langer als zodanig aanmerken. Dit betekent dat ten aanzien van (een groep) vrijwilligers de OR en de ondernemer gezamenlijk kunnen bepalen dat deze groep, bijvoorbeeld vrijwilligers met een overeenkomst/relatie van meer dan x jaar met de organisatie, als in de onderneming werkzame personen wordt aangemerkt.

Bij de commissie is op basis van de uitingen van de verzoekende partij in het verzoekschrift en ter zitting, het beeld ontstaan dat zij, wellicht mede op basis van de eerdere eigen medezeggenschapservaringen van de verzoekers, (te) zeer is gefocust op de vorm waarin de medezeggenschap binnen de organisatie zijn beslag zou moeten krijgen. De commissie wil partijen meegeven zich in eerste instantie vooral te richten op de inhoud van de medezeggenschap.

Mede op grond van de getoonde bereidheid van de bestuurder adviseert de commissie partijen, teneinde uit de bestaande impasse te komen, om onder alle medewerkers (zowel de vaste krachten als de vrijwilligers) een (nieuwe) enquête te houden waarmee draagvlak getoetst kan worden voor een bepaalde vorm van medezeggenschap. De uitkomst van de enquête zou richtinggevend moeten zijn voor de verder te nemen stappen. De commissie acht het van belang dat partijen samen vorm en inhoud geven aan deze nieuw op te stellen enquête. De commissie adviseert om een werkgroep samen te stellen voor het opstellen van de nieuwe enquête, bestaande uit de bestuurder, een medewerker met een arbeidsovereenkomst en een vrijwilliger.

Er kunnen geen rechten worden ontleend aan dit bericht/deze tekst. Deze geanonimiseerde samenvatting van een bemiddelingsadvies van de bedrijfscommissie wordt gepubliceerd om inzage te geven in de aard van het uitgebrachte advies. Met deze publicatie wordt geen jurisprudentievorming beoogd, aangezien de commissie steeds met maatwerkoplossingen komt, gericht op het(/de) specifieke (omstandigheden van het) geval.

powered by sitecore