Bemiddelingsverzoek BC Markt II 14.004

Sector: zorg / ICT 

Trefwoorden: benadeling, arbeidsconflict

Kern van het geschil

Verzoeker is OR-lid en stelt vanwege zijn optreden in de OR, ‘persona non grata’ is geworden. Hij stelt dat zijn optreden en rol in de OR heeft geleid tot sancties. De directeur ontkent dat er een relatie zou zijn tussen de beoordeling van het functioneren van verzoeker (in 2013) en zijn functioneren als OR-lid. Nog voordat hij toetrad tot de OR heeft hij al signalen gekregen dat zijn functioneren niet conform verwachting was.

Advies van de commissie

De commissie benadrukt dat het haar taak is te bemiddelen tussen partijen bij een geschil dat is te herleiden op de WOR. De commissie dient zich in dit geschil derhalve te beperken tot het gestelde beroep op artikel 21 WOR (bescherming tegen benadeling).

De commissie merkt op dat in een artikel 21 WOR-procedure vastgesteld dient te worden of de betrokken werknemer benadeeld wordt, vervolgens of het gaat om benadeling in diens positie in de onderneming en ten slotte of die benadeling verband houdt met het OR-werk. De norm luidt dus dat niemand uit hoofde van zijn OR-werkzaamheden mag worden benadeeld in zijn positie in de onderneming. Het is de ondernemer die ervoor moet zorgen dat deze norm wordt nageleefd. Het is de werknemer (OR-lid) die met concrete feiten de benadeling moet staven. De werkgever moet aannemelijk maken dat de benadeling niet voortvloeit uit de werkzaamheden van de werknemer voor de OR.

De commissie constateert in ieder geval dat verzoeker problemen ondervindt binnen de organisatie. De vraag waarvoor de commissie echter is gesteld, is of deze problemen verband houden met zijn OR-lidmaatschap. Uit de stukken en uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht kan de commissie geen andere conclusie trekken dan dat niet met (enige) zekerheid kan worden vastgesteld dat de functionele ‘sancties’ wegens het vermeende disfunctioneren van verzoeker in relatie staan tot, laat staan het rechtstreekse gevolg zijn van zijn optreden als lid van de OR. De commissie betreurt het in dit verband dat zij niet beschikt over een visie van de OR als orgaan op de situatie.

Met het voorgaande spreekt de commissie zich niet uit over de redelijkheid en/of rechtmatigheid van de ten opzichte van verzoeker getroffen functionele maatregelen. Haar conclusie niet te kunnen vaststellen dat deze maatregelen een relatie hebben met het functioneren van verzoeker als OR-lid, roept bij de commissie de vraag op
of er niet eerder sprake is van een (individueel arbeids)conflict tussen verzoeker en de directeur c.q. zijn leidinggevende. De commissie kan niet in een dergelijke kwestie treden.

De commissie geeft partijen sterk in overweging verder in te zetten op het reeds in gang gezette mediationtraject, waarin met respect van beide kanten gekeken kan worden naar (het verbeteren van) ieders rol. Van belang is dat de inzet erop wordt gericht dat verzoeker weer goed kan functioneren, zowel in de uitvoering van zijn werkzaamheden, als binnen de OR. Dat partijen inmiddels overeenstemming hebben bereikt over de inschakeling van een mediator, stemt in dit opzicht hoopvol.  

Er kunnen geen rechten worden ontleend aan dit bericht/deze tekst. Deze geanonimiseerde samenvatting van een bemiddelingsadvies van de bedrijfscommissie wordt gepubliceerd om inzage te geven in de aard van het uitgebrachte advies. Met deze publicatie wordt geen jurisprudentievorming beoogd, aangezien de commissie steeds met maatwerkoplossingen komt, gericht op het(/de) specifieke (omstandigheden van het) geval.

powered by sitecore