Bemiddelingsverzoek BC Markt II 14.006

Sector: onderwijs

Trefwoorden: structuur medezeggenschap

Kern van het geschil

Als gevolg van een herstructurering binnen een MBO-organisatie is de bestuurder mede verantwoordelijk geworden voor een bepaalde stichting. Besloten is om de structuur van die stichting te wijzigen naar een BV holding, met daaronder twee werkmaatschappijen. Binnen de organisatie functioneert een OR en met ingang van mei 2014 is voor beide werkmaatschappijen een PVT ingesteld, waaraan extra bevoegdheden zijn toegekend (vergelijkbaar met die van een OR).
Hoewel de OR zich kon vinden in de argumenten voor de structuurwijziging, is er een verschil van mening ontstaan met betrekking tot de medezeggenschap binnen de werkmaatschappijen. Daar waar de OR meent dat hij ook over deze werkmaatschappijen medezeggenschap heeft, is de bestuurder van mening dat dit niet het geval is. De OR meent dat de werkmaatschappijen onlosmakelijk zijn verbonden met de gehele organisatie en dat er dus ook sprake moet zijn van één medezeggenschap. 

Advies van de commissie

Tijdens de bemiddelingszitting zijn partijen niet nader tot elkaar gekomen.
Op basis van de stukken en hetgeen partijen hierover nader hebben verklaard komt het de commissie voor dat ten aanzien van de organisatie enerzijds en de werkmaatschappijen anderzijds, gelet op de verschillen in aansturing, aard van de werkzaamheden en het type van activiteiten, in de huidige situatie niet gesproken kan worden van één onderneming in de zin van de WOR. Het vorenstaande neemt niet weg dat er zich omstandigheden kunnen voordoen waarin de instelling van een gemeenschappelijke OR bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR in de ondernemingen die door een ondernemer in stand worden gehouden.

Voor de ondernemingen waarvoor een gemeenschappelijke OR wordt ingesteld, dient in elk geval sprake te zijn van een overwegend gemeenschappelijk bedrijfsbeleid, zowel in bedrijfseconomisch als arbeidsorganisatorisch opzicht. Naar het oordeel van de commissie is dit laatste op dit moment onvoldoende duidelijk gebleken. Daarbij komt dat het personeel van de werkmaatschappijen zich in de huidige situatie nadrukkelijk heeft uitgesproken voor (een vorm van) medezeggenschap over hun eigen organisatie. Die medezeggenschap, in de vorm van een PVT, is voor beide werkmaatschappijen in mei 2014 na een verkiezingsprocedure geïmplementeerd. Tussen de werkmaatschappijen en de ondernemer is daarbij afgesproken dat beide medezeggenschapsorganen instemmings- en adviesrechten worden toegekend die vergelijkbaar zijn met die van een ondernemingsraad. Daarmee kan in elk geval worden geconstateerd dat thans binnen alle onderdelen van de organisatie sprake is van volwaardige en gelijkwaardige medezeggenschap.

Volgens de commissie is op dit moment niet goed te overzien welke medezeggenschapsstructuur in de toekomst, bij een (forse) uitbreiding van het aantal werkmaatschappijen, het meest passend zou zijn. Het ligt wel in de rede dat een overgang naar een meer gemeenschappelijk beleid ook zou moeten doorwerken in de structuur van de medezeggenschap. Alsdan zou de instelling van een gemeenschappelijke OR een reële en wenselijke optie kunnen zijn voor het uitoefenen van de medezeggenschap in de betrokken ondernemingen. In het licht van het bovenstaande adviseert de commissie partijen voorlopig om de huidige structuur (bestaande uit een OR voor de organisatie en aparte PVT’s voor de werkmaatschappijen) te continueren, maar geeft daarbij in overweging de zittingstermijnen van de PVT’s af te stemmen op de (lopende) zittingstermijn van de OR zodat aan de hand van een evaluatie van de ontwikkelingen en de daaruit voortvloeiende bestuurlijke consequenties, tegen het eind van deze periode zo mogelijk in gezamenlijkheid kan worden bezien op welke wijze aan de medezeggenschap voor een volgende periode vorm gegeven zou moeten worden.    

Er kunnen geen rechten worden ontleend aan dit bericht/deze tekst. Deze geanonimiseerde samenvatting van een bemiddelingsadvies van de bedrijfscommissie wordt gepubliceerd om inzage te geven in de aard van het uitgebrachte advies. Met deze publicatie wordt geen jurisprudentievorming beoogd, aangezien de commissie steeds met maatwerkoplossingen komt, gericht op het(/de) specifieke (omstandigheden van het) geval.

powered by sitecore