Bemiddelingsadviezen 2015 Bedrijfscommissie Markt I en II

Bemiddelingsverzoek BC Markt I 15.008

Een vakorganisatie heeft enkele bezwaren tegen het reglement van de (gemeenschappelijke) OR. De vakorganisatie verzoekt in zijn bemiddelingsverzoek zijn bezwaren te beoordelen en daarover een uitspraak te doen dan wel door bemiddeling het geschil te beslechten. De OR meent dat hij keuzes heeft gemaakt waartegen de vakorganisatie klaarblijkelijk bezwaar maakt, maar die niet in strijd zijn met de WOR noch met het SER-Voorbeeldreglement ondernemingsraden. Ter zitting is door verzoeker nogmaals bevestigd dat de bezwaren zich met name richten op de onevenredige zetelverdeling van de kiesgroepen en de keuze voor het kiesstelsel. Zij herhaalt van oordeel te zijn dat het huidige reglement in strijd is met de WOR en spreekt de wens uit dat dit wordt aangepast.

Bemiddelingsverzoek BC Markt II 15.007

Tussen OR en bestuurder bestaat verschil van mening over de vraag of de invoering van een ontwikkeltraject bij een enkele afdeling instemmingsplichtig is. De bestuurder heeft besloten een ontwikkeltraject in te voeren zonder de OR daarbij te betrekken. De OR is van oordeel dat sprake is van een instemmingsplichtig besluit en heeft daarvan de nietigheid ingeroepen. De bestuurder vindt niet dat sprake is van een instemmingsplichtig besluit en heeft daadwerkelijk uitvoering gegeven aan het besluit. De bestuurder is van mening dat sprake is van een incidenteel, eenmalig en kleinschalig traject, ingezet vanuit de behoefte aan kwaliteitsverbetering. Nadien heeft bestuurder in de loop van 2015 een algemeen beoordelingssysteem ingevoerd voor de gehele organisatie. Over dit systeem is wel instemming aan de OR gevraagd en ook verkregen.

Bemiddelingsverzoek BC Markt I 15.007

De bestuurder, een ondernemer in de veehouderij, wil de werktijden aanpassen, met als gevolg dat de medewerkers minder ADV-uren opbouwen. Partijen vragen de bedrijfscommissie een uitspraak te doen over de vraag of de personeelsvertegenwoordiging (PVT) in deze kwestie wel of niet instemmingsrecht heeft. De geldende CAO biedt ruimte aan een bedrijf om werktijden vast te stellen die afwijken van de CAO. Dat is in het verleden ook gebeurd. Afgesproken is toen dat de werktijd 37,5 uur per week zouden bedragen. Ervan uitgaande dat het werk aanvangt om 7.30 uur en er 50 minuten pauze is, betekent dit dat het werk van medewerkers dagelijks om 15.50 uur zou moeten eindigen. Omdat de werkgever dat destijds onwenselijk vond is toen de afspraak gemaakt dat de medewerkers tot 16.10 uur werken en dat de aldus extra op te bouwen tijd (20 minuten) dient te worden beschouwd als ADV-uren, die twee of drie wekelijks kunnen worden opgenomen. Thans wil de werkgever de werktijden laten eindigen om 16.00 uur, waardoor de opbouw van ADV-uren wordt gehalveerd. De PVT stelt zich op het standpunt instemmingsrecht te hebben. Partijen vragen in deze kwestie geen bemiddeling maar een oordeel van de bedrijfscommissie.

Bemiddelingsverzoek BC Markt I 15.005

Kern van het geschil betreft de toepassing van artikel 2, lid 2 WOR. Verzoekende partij (een vakbond namens een groep vakbondsleden binnen de organisatie) vraagt om een uitspraak over de rechtmatigheid van het bestaan van de OR binnen de organisatie, c.q. een advies gericht op het oplossen van de controverse hierover met de bestuurder. De bestuurder is van mening dat reeds aan het einde van 2013 de zittingsperiode van de OR van rechtswege eindigde aangezien het aantal werknemers op dat moment, uitgaande van de definitie in de WOR, onder het vereiste aantal van 50 was gezakt. De bestuurder constateert ruim een half jaar na het aflopen van de zittingsperiode dat er zijns inziens geen OR meer is, omdat de vorige OR van rechtswege is opgeheven. De organisatie had naar de mening van de bestuurder aan het eind van de zittingstermijn van de OR geen 50 werknemers meer.

Bemiddelingsverzoek BC Markt II 15.004

De organisatie gaat verhuizen naar een andere stad. In 2010 zijn afspraken gemaakt over een op de reiskostenvergoeding aanvullende vergoeding voor alle medewerkers die, als gevolg van de verhuizing, meer moeten gaan reizen. In 2013 verhuist de organisatie feitelijk en moet de aanvullende vergoeding ingaan. In de tussenliggende periode is echter de CAO gewijzigd, inclusief de daarin geldende reiskostenregeling. Bestuurder en OR verschillen van mening over hoe de in 2010 gemaakte afspraken over de aanvullende vergoeding moeten worden uitgelegd in het licht van de gewijzigde CAO. De bestuurder is van oordeel dat deze wijziging van invloed is op de gemaakte afspraken over de aanvullende vergoeding. Omdat onder de oude CAO medewerkers tot een reisafstand van 10 km geen recht hadden op een reiskostenvergoeding en onder de nieuwe CAO wel, vindt de bestuurder dat de ontvangen reiskosten moeten worden verrekend met de aanvullende vergoeding. De OR is van mening dat er geen verrekening zou moeten plaatsvinden. De wijzigingen in de CAO zouden in de praktijk tot gevolg hebben dat de kosten van de aanvullende vergoeding ongeveer zouden verdubbelen.

Bemiddelingsverzoek BC Markt I 15.003

Verzoeker, een werknemer die in het verleden OR-lid is geweest en zich bij de laatste verkiezingen kandidaat heeft gesteld, heeft enkele bezwaren jegens de OR. Deze richten zich enerzijds op (de bezwaartermijn uit de bezwaarbepaling van) het reglement en het verloop van de OR-verkiezingen (aanpassing reglement tijdens procedure, tijdsbestek en zetelverdeling). Het is voor de OR niet duidelijk wat verzoeker beoogt te bereiken met het bemiddelingsverzoek. De OR meent transparant en zorgvuldig te hebben gehandeld en dat het reglement aan de vereisten voldoet. De OR meent dat de inhoud van het reglement en de indeling in kiesgroepen verantwoordelijkheden betreffen van de OR.

Bemiddelingsverzoek BC Markt II 15.002

In de organisatie vindt een reorganisatie plaats. Aan de OR is gevraagd in te stemmen met een voorgenomen besluit tot wijziging van een regeling op het gebied van aanstellingsbeleid. De OR heeft de gevraagde instemming onthouden en de nietigheid ingeroepen van het besluit om toch tot uitvoering van het voorgenomen besluit over te gaan. Het voorgenomen besluit houdt in dat aan maximaal drie fte. een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt aangeboden bovenop de in de reorganisatie afgesproken formatie. Het gaat om medewerkers die werkzaam zijn op tijdelijke projecten, waarvoor niet zeker is of er na zo´n project opnieuw een project met bijbehorende financiering beschikbaar is. Aanleiding tot het voorstel is de nieuwe ketenbepaling in de Wet Werk en Zekerheid (WWZ), die het de werkgever lastig maakt om dergelijke medewerkers op basis van tijdelijke contracten voor langere periode aan zich te binden. De OR is van mening dat de bestuurder met dit besluit een uitzondering maakt op het reorganisatiebesluit. Daarnaast is de OR van oordeel dat met dit besluit een financieel risico wordt gelopen in het geval aanvullende financiering uitblijft. Dit kan bovendien tot gevolg hebben dat er medewerkers moeten worden ontslagen, hetgeen gelet op het afspiegelingsbeginsel ook andere medewerkers kan treffen dan de medewerkers met de nieuwe vaste aanstelling.

Bemiddelingsverzoek BC Markt I 15.002

De pesoneelsvertegenwoordiging (PVT) verzoekt te bemiddelen in het conflict dat is gerezen met de bestuurder over de keuzes die de organisatie heeft gemaakt bij de invoering van de werkkostenregeling (WKR). Naar de mening van de PVT beschikt zij over onvoldoende informatie in deze. De PVT heeft een duidelijke wens om in de WKR ook de vergoeding van de vakbondscontributie op te laten nemen. De vakbondscontributie werd voorheen ook altijd vergoed. Op dat punt volgde de ondernemer volgens de PVT de CAO. De bestuurder stelt zich inhoudelijk op standpunt dat zij aan haar verplichtingen (waaronder haar informatieplicht) op grond van de WOR heeft voldaan, dat haar beleid ten aanzien van de betreffende CAO duidelijk is en dat de kwestie na zo’n lange tijd tot een afronding moet komen.

Bemiddelingsverzoek BC Markt II 15.001

Een betrokken vakbond heeft bezwaar tegen de keuze van de OR van een zorginstelling om geen verkiezing uit te schrijven. De beoogde verlenging van de OR-zittingstermijn met (maximaal) 18 maanden, die wordt ingegeven door de aankomende samenwerking met een andere zorginstelling, acht de vakbond geen redelijke en/of bepaalbare periode. De OR is van mening dat er voldoende reden is tot uitstel van de OR-verkiezing.

powered by sitecore