Bemiddelingsverzoek BC Markt I 15.005

Sector: dienstverlening

Trefwoorden:  instelling OR (art. 2 WOR), structuur medezeggenschap, medezeggenschapsorgaan, samenwerkinguitvoering medezeggenschap

Kern van het geschil

Kern van het geschil betreft de toepassing van artikel 2, lid 2 WOR. Verzoekende partij (een vakbond namens een groep vakbondsleden binnen de organisatie) vraagt om een uitspraak over de rechtmatigheid van het bestaan van de OR binnen de organisatie, c.q. een advies gericht op het oplossen van de controverse hierover met de bestuurder. De bestuurder is van mening dat reeds aan het einde van 2013 de zittingsperiode van de OR van rechtswege eindigde aangezien het aantal werknemers op dat moment, uitgaande van de definitie in de WOR, onder het vereiste aantal van 50 was gezakt. De bestuurder constateert ruim een half jaar na het aflopen van de zittingsperiode dat er zijns inziens geen OR meer is, omdat de vorige OR van rechtswege is opgeheven. De organisatie had naar de mening van de bestuurder aan het eind van de zittingstermijn van de OR geen 50 werknemers meer.

Advies van de commissie

Ter zitting kon uiteindelijk geen compromis worden bereikt en is gevraagd om een oordeel/advies van de commissie. Dat advies luidde als volgt.

De ondernemer die een onderneming in stand houdt waarin in de regel ten minste 50 personen werkzaam zijn, is verplicht een ondernemingsraad in te stellen. De woorden ‘in de regel’ duiden op een zekere continuïteit, zodat niet iedere wijziging van het aantal in de onderneming werkzame personen direct leidt tot (in casu) de beëindiging van de verplichting om een OR in te stellen. Is een OR eenmaal ingesteld en gekozen, dan behoudt hij gedurende zijn zittingsperiode zijn wettelijke bevoegdheden, ook al blijkt tijdens deze zittingsperiode dat het aantal in de onderneming werkzame personen beneden de hiervoor genoemde getalsgrens is gedaald. Als in de laatste fase van de zittingsperiode geconstateerd wordt dat er in de onderneming niet langer in de regel ten minste 50 personen werkzaam zijn, kan de ondernemer besluiten vrijwillig de ondernemingsraad te handhaven. Doet de ondernemer dit niet, dan houdt de ondernemingsraad van rechtswege op te bestaan per het einde van de zittingsperiode. De ondernemer kan in dat geval nog wel verplicht zijn tot het instellen van een personeelsvertegenwoordiging (PVT) of het houden van personeelsvergaderingen.

Kijkend naar het verlopen proces constateert de commissie, gelet op de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is besproken, dat de nieuwe OR-periode duidelijk in gang lijkt te zijn gezet middels het uitschrijven van verkiezingen (inclusief uitstel hiervan), dat de OR nadien is benoemd en dat pas ruim een half jaar daarna vanuit bestuurderszijde de mededeling is gekomen dat al terugkijkende de OR niet rechtsgeldig zou bestaan.

De commissie is van mening dat drie personen, waarover onduidelijkheid bestond of zij moesten worden meegeteld bij het vaststellen van het aantal in de onderneming werkzame personen (als bedoeld in de artikelen 1 en 2 van de WOR), daadwerkelijk als in de onderneming werkzame personen moeten worden meegeteld. De ‘bestuurder’ is op grond van artikel 1, lid 1, sub e van de WOR degene die, alleen of met anderen, in een onderneming rechtstreeks de hoogste zeggenschap uitoefent bij de leiding van de arbeid. Hij vertegenwoordigt de ondernemer in het overleg met de OR. Van de betreffende drie personen is de commissie niet gebleken dat zij daadwerkelijk de hoogste zeggenschap uitoefenen bij de leiding van de arbeid.

Gelet op voorgaande overwegingen, kan de commissie derhalve niet anders dan concluderen dat ultimo 2013 werd voldaan aan het getalscriterium zoals opgenomen in artikel 2 van de WOR. De commissie adviseert daarom voor de resterende periode tot aan de nieuwe verkiezingen (eind 2016 / begin 2017) de (huidige) OR te continueren en door de bestuurder als zodanig ook te erkennen als volwaardige OR. Al naar gelang de concrete omstandigheden en personeelsomvang per ultimo 2016 dient (feitelijk) getoetst te worden hoe de volgende medezeggenschapsperiode er dient uit te zien en in welke vorm (ondernemingsraad, PVT of een PVT met meer bevoegdheden (een zogenaamde PVT+). Het verdient aanbeveling dat partijen dit tijdig met elkaar inventariseren en bespreken. 

Tot slot

Beide partijen hebben (na afloop) uitgesproken zich te kunnen conformeren aan het gegeven advies van de commissie.    

Er kunnen geen rechten worden ontleend aan dit bericht/deze tekst. Deze geanonimiseerde samenvatting van een bemiddelingsadvies van de bedrijfscommissie wordt gepubliceerd om inzage te geven in de aard van het uitgebrachte advies. Met deze publicatie wordt geen jurisprudentievorming beoogd, aangezien de commissie steeds met maatwerkoplossingen komt, gericht op het(/de) specifieke (omstandigheden van het) geval.

powered by sitecore