Bemiddelingsverzoek BC Markt II 15.007

Sector: cultuur

Trefwoorden: instemmingsrecht, onderlinge verhoudingen

Kern van het geschil

Tussen OR en bestuurder bestaat verschil van mening over de vraag of de invoering van een ontwikkeltraject bij een enkele afdeling instemmingsplichtig is. De bestuurder heeft besloten een ontwikkeltraject in te voeren zonder de OR daarbij te betrekken. De OR is van oordeel dat sprake is van een instemmingsplichtig besluit en heeft daarvan de nietigheid ingeroepen. De bestuurder vindt niet dat sprake is van een instemmingsplichtig besluit en heeft daadwerkelijk uitvoering gegeven aan het besluit. De bestuurder is van mening dat sprake is van een incidenteel, eenmalig en kleinschalig traject, ingezet vanuit de behoefte aan kwaliteitsverbetering. Nadien heeft bestuurder in de loop van 2015 een algemeen beoordelingssysteem ingevoerd voor de gehele organisatie. Over dit systeem is wel instemming aan de OR gevraagd en ook verkregen.

Advies van de commissie

De bedrijfscommissie heeft ter zitting geconstateerd dat er geen sprake is van fundamenteel verstoorde verhoudingen. Voorts heeft de bedrijfscommissie tijdens de bemiddelingszitting vastgesteld dat de bestuurder de bereidheid heeft uitgesproken om in de toekomst in vergelijkbare gevallen de OR tijdig te zullen consulteren. De bedrijfscommissie vindt deze toezegging een belangrijke ontwikkeling in het herstellen dan wel verbeteren van de onderlinge samenwerking.

Ten aanzien van de vraag of de OR wel of geen instemmingsrecht toekwam ten aanzien van de besluitvorming rond de betreffende afdeling doet de bedrijfscommissie geen uitspraak. De bedrijfscommissie is van mening dat een oordeel over deze vraag partijen niet verder helpt. Indien immers het oordeel zou zijn dat de OR wel instemmingsrecht toekwam, is het de vraag wat dan de gevolgen zouden zijn voor de inmiddels reeds uitgevoerde maatregelen. Maatregelen die op zichzelf genomen door de organisatie breed worden gedragen en waarvan de noodzaak zelfs door de OR niet wordt ontkend. Ook indien het oordeel zou zijn dat de OR geen instemmingsrecht toekwam zou dat niet leiden tot een verbetering van de situatie, omdat dan de OR met een ontevreden gevoel zou achterblijven, hetgeen het toekomstige overleg geen goed zou doen.

Ter zitting is duidelijk geworden dat de OR met name moeite heeft met de mogelijke personele consequenties, die het ingezette ontwikkeltraject zou kunnen hebben voor één van de medewerkers. Daartoe merkt de bedrijfscommissie op dat de OR geen verantwoordelijkheid draagt indien een medewerker wordt ontslagen bij disfunctioneren. Ook niet indien dat ontslag het gevolg zou zijn van de uitvoering van een op zich instemmingsplichtig besluit, waarover de OR geen instemming heeft verleend. Hoewel de bedrijfscommissie begrijpt dat de opstelling van de OR met name wordt ingegeven door de morele aspecten van deze kwestie, moet erop worden gewezen dat de OR ter zake van een eventueel ontslag formeel geen bevoegdheden heeft.

De bedrijfscommissie is van oordeel dat het tijd wordt dat partijen een streep zetten onder de oude kwestie en hun blik in het vervolg richten op een goede samenwerking in de toekomst. Vastgesteld moet worden dat de handelwijze van de OR veel resultaat heeft gehad. Zo is er thans meer duidelijkheid over hoe ontwikkeltrajecten in de toekomst beter in werking kunnen worden gezet. Zoals door de bestuurder toegezegd, zal daarbij structureel en eerder samenwerking tussen OR en bestuurder plaatsvinden. Er zijn bovendien afspraken gemaakt over een nieuwe HR-cyclus voor het gehele personeel.  

Er kunnen geen rechten worden ontleend aan dit bericht/deze tekst. Deze geanonimiseerde samenvatting van een bemiddelingsadvies van de bedrijfscommissie wordt gepubliceerd om inzage te geven in de aard van het uitgebrachte advies. Met deze publicatie wordt geen jurisprudentievorming beoogd, aangezien de commissie steeds met maatwerkoplossingen komt, gericht op het(/de) specifieke (omstandigheden van het) geval.

powered by sitecore