Bemiddelingsadviezen 2016 Bedrijfscommissie Markt I en II

Bemiddelingsverzoek BC Markt I 16.016

De OR verzoekt de bedrijfscommissie te bemiddelen c.q. een advies uit te brengen inzake een geschil over een instemmingsaanvraag. Kern van het geschil is de vergoeding en inrichting van een consignatiedienst op één van de locaties van de onderneming. De OR heeft negatief beslist op een in april 2016 ontvangen instemmingsverzoek en daarbij aangegeven dat indien aan een viertal voorwaarden wordt voldaan alsnog instemming wordt verleend. De bestuurder heeft aangegeven niet aan een tweetal voorwaarden te zullen voldoen. De OR is van mening dat de bestuurder onvoldoende (financiële) maatregelen treft om de negatieve gevolgen van de roosterwijziging op te vangen. De bestuurder wijst in zijn reactie op de geringe wijzigingen in de consignatiedienst en de financiële impact daarvan. Verder is de bestuurder van mening dat de discussie over een afbouwregeling niet met de OR maar met de vakbonden moet worden gevoerd in het kader van het overleg over de CAO.

Bemiddelingsverzoek BC Markt I 16.010

Binnen de OR bestaat een (vaste) contact- en vertrouwenscommissie waar de vice-voorzitter (dhr. X) deel van uitmaakt. Daarnaast is er binnen de organisatie een vertrouwenspersoon werkzaam. Tussen partijen is een verschil van mening ontstaan over de invulling van de scholingsbehoefte, meer concreet over de scholing voor dhr. X, die binnen de organisatie tevens de (informele) rol van vertrouwenspersoon vervult (mede vanwege zijn lidmaatschap van de betreffende commissie). Om die rol goed te kunnen vervullen vindt de OR dat dhr. X een drietal modules van de HBO-opleiding Psychologie zou moeten volgen. De bestuurder is van mening dat, hoewel hij zeer hecht aan scholing van zijn personeel en de OR-leden en deze ook ruimhartig faciliteert, de OR, gelet op artikel 18, lid 2, van de WOR niet in redelijkheid kan oordelen dat de gewenste opleiding nodig is voor het vervullen van de OR-taken. De gewenste opleiding is voor het OR-werk niet nodig en het is daarom volgens hem niet redelijk de voor opleiding beschikbare tijd en middelen daarvoor in te zetten.

Bemiddelingsverzoek BC Markt I 16.008

De kern van het geschil is dat de OR op diverse onderdelen weerstand ervaart van de bestuurder, hetgeen de OR belemmert in zijn functioneren. Dit heeft met name betrekking op het aantal uren dat de OR beschikbaar wordt gesteld om zijn werkzaamheden te kunnen verrichten. Daarnaast geeft de OR aan dat hij geen verzoeken om instemming of advies ontvangt en dat hij wordt belemmerd in het kunnen uitoefenen van het initiatiefrecht. Bovendien geeft de OR aan te worden geïntimideerd door een van de bestuurders. De bestuurder bestrijdt het standpunt van de OR dat de directie gestopt is met het vergoeden van de uren voor OR-werkzaamheden.

Bemiddelingsverzoek BC Markt I 16.006

De OR heeft zijn instemming onthouden aan een nieuwe uitvoeringsovereenkomst die de bestuurder heeft afgesloten met een pensioenuitvoerder. De nieuwe uitvoeringsovereenkomst levert voor de bestuurder bijkomend een jaarlijkse lastenverlichting op. De OR en de bestuurder hebben onderhandelingen gevoerd over diverse onderdelen van de overeenkomst. Hoewel zij elkaar qua standpunt dicht genaderd waren konden zij niet tot overeenstemming komen, waarop de OR de instemming heeft onthouden.

Bemiddelingsverzoek BC Markt II 16.004

Het betreft een intern geschil binnen een OR. Drie leden van de OR vormen samen het dagelijks bestuur (DB) van die OR. Verzoekers zijn leden van de OR die niet in het DB zitten. Zij vinden dat het DB te weinig doet om belangrijke onderwerpen, zoals een klokkenluidersregeling of een ARBO-regeling op de agenda van de OR te plaatsen. Bovendien verwijten zij het DB te veel in overleg te treden met de bestuurder en met hem te nauwe banden te onderhouden. Het DB overlegt vaker met de bestuurder dan met de eigen OR leden. Het DB geeft aan dat er goede redenen zijn waarom de onderwerpen nog niet zijn geagendeerd. Ook ontkennen zij te nauwe banden te hebben met de bestuurder. Het overleg dat zij hebben met de bestuurder zou uitsluitend agenderend en informerend zijn. Op hun beurt verwijt het DB verzoekers dat zij onvoldoende constructief zijn bij de behandeling van onderwerpen. Verzoekers zouden zich te veel op de wet en de procedures beroepen en te weinig bezig zijn met de inhoudelijke kant van onderwerpen die de OR in behandeling heeft. Daardoor wordt vaak veel tijd verloren en zou het in enkele adviestrajecten, waar de OR te maken had met een scherpe deadline, verkeerd zijn gegaan.

Bemiddelingsverzoek BC Markt II 16.003

In een stichting binnen het onderwijs wordt het sturingsmodel gewijzigd. De wijzigingen houden in dat de verantwoordelijkheden en de bevoegdheden worden verlegd van het College van Bestuur (CvB) naar de directie, die bestaat uit een viertal regiodirecteuren. Het CvB zal uitsluitend nog een kaderstellende rol vervullen. De bevoegdheden van de directie worden geregeld in een bestuursreglement, waarin wordt geregeld dat een of meerdere van de directeuren in het vervolg zal/zullen fungeren als bestuurder in de zin van de WOR, in plaats van het CvB. Deze nieuwe bestuurder zal de gesprekspartner zijn van de OR. Het CvB blijft wel in beeld als formele gesprekspartner van de OR in de zin van de WOR, indien het aangelegenheden betreft die het CvB als bevoegdheden aan zichzelf heeft voorbehouden. Op deze wijze is het CvB van oordeel dat optimaal recht wordt gedaan aan de medezeggenschapsmogelijkheden voor de OR. De OR heeft twijfels over de legitimiteit van het voorgenomen besluit, dat ertoe kan leiden dat de OR voor verschillende onderwerpen met verschillende bestuurders te maken kan krijgen. Voorts is de OR niet om advies gevraagd in de procedure van benoeming van de directeuren/bestuurders. Om die reden heeft de OR niet ingestemd met het voorgenomen besluit. De bedrijfscommissie wordt gevraagd een oordeel uit te spreken over de kwestie. In het gezamenlijke verzoekschrift spreken partijen uit zich te zullen conformeren aan dat oordeel.

Bemiddelingsverzoek BC Markt I 16.003

Het geschil betreft de faciliteiten van de OR. Concreet gaat het onder meer om het aantal aan OR-leden toekomende uren voor onderling beraad en overleg, de regels betreffende de deelname aan (overleg) vergaderingen, scholingsuren en andere faciliteiten. De OR is van mening dat de in de wet toegekende faciliteiten als gevolg van een eenzijdig door de ondernemer genomen besluit onvoldoende zijn gewaarborgd. Voorts meent de OR dat de geboden faciliteiten onvoldoende zijn in het licht van de behoeften van de OR. De bestuurder wijst op onjuistheden in het verzoekschrift van de OR en acht het door de OR ingenomen standpunt gezien de aard en omvang van de onderneming buiten proportie. De bestuurder stelt zich op het standpunt dat zijn (voorgenomen) besluit redelijk is en dat op die basis een afspraak gemaakt moet kunnen worden met de OR.

Bemiddelingsverzoek BC Markt II 16.001

Partijen verschillen van mening over de vraag of, en zo ja in welke gevallen, de OR instemmingsrecht heeft bij een werktijdenwijziging/wijziging roosterindeling. Voorgelegd zijn twee gevallen waarover partijen van mening verschillen. De OR meent voor beide gevallen om instemming te moeten worden gevraagd. Daarbij speelt dat de OR vindt dat de bestuurder onvoldoende rekening houdt met de sociale aspecten die roosterwijzigingen voor medewerkers hebben en wil daarom gebruik kunnen maken van het instemmingsrecht om in voorkomende gevallen sterker te staan in de discussie met de bestuurder. De bestuurder meent dat er geen sprake is van een algemene regeling die wijzigt en dat dus de OR geen instemmingsrecht toekomt.

Bemiddelingsverzoek BC Markt I 16.001

Twee zusterafdelingen, die op twee ver uit elkaar gelegen locaties in het land zijn gevestigd, worden samengevoegd, waardoor op één van de locaties de werkzaamheden worden beëindigd. Twee betrokken medewerkers wordt op de nieuwe locatie een werkplek aangeboden, maar zij weigeren dit en verliezen als gevolg daarvan hun baan. Aan de orde is de vraag of de OR ter zake adviesrecht toekomt. De OR is van oordeel dat er ten onrechte geen advies is gevraagd. Voor een eerdere wijziging van de organisatiestructuur had de bestuurder namelijk wel advies gevraagd. Daarbij is toen ook over deze afdelingen geadviseerd. De bestuurder is daarentegen van mening dat het geen belangrijke wijziging in de organisatie van de onderneming betreft, zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid onderdeel e, van de WOR. Het besluit heeft slechts gevolgen voor twee van de ruim 600 medewerkers van het bedrijf. Dat eind 2014 wel advies is gevraagd was omdat het toen een veel bredere organisatiewijziging betrof waar deze afdelingen slechts een onderdeel van uitmaakten.

powered by sitecore