Bemiddelingsverzoek BC Markt I 16.010

Sector: afbouw en onderhoud

Trefwoorden: onderlinge verhoudingen, scholing, keuze opleidingsinstituutopleiding, rolverdeling

Kern van het geschil

Binnen de OR bestaat een (vaste) contact- en vertrouwenscommissie waar de vice-voorzitter (dhr. X) deel van uitmaakt. Daarnaast is er binnen de organisatie een vertrouwenspersoon werkzaam. Tussen partijen is een verschil van mening ontstaan over de invulling van de scholingsbehoefte, meer concreet over de scholing voor dhr. X, die binnen de organisatie tevens de (informele) rol van vertrouwenspersoon vervult (mede vanwege zijn lidmaatschap van de betreffende commissie). Om die rol goed te kunnen vervullen vindt de OR dat dhr. X een drietal modules van de HBO-opleiding Psychologie zou moeten volgen. De bestuurder is van mening dat, hoewel hij zeer hecht aan scholing van zijn personeel en de OR-leden en deze ook ruimhartig faciliteert, de OR, gelet op artikel 18, lid 2, van de WOR niet in redelijkheid kan oordelen dat de gewenste opleiding nodig is voor het vervullen van de OR-taken. De gewenste opleiding is voor het OR-werk niet nodig en het is daarom volgens hem niet redelijk de voor opleiding beschikbare tijd en middelen daarvoor in te zetten.    

Bevindingen en advies van de commissie

De Scholingskamer van bedrijfscommissie merkt op dat in zijn algemeenheid een combinatie van de functie van vertrouwenspersoon en het lidmaatschap van de ondernemingsraad niet wordt aanbevolen. In het onderhavige geval constateert de Scholingskamer daarentegen dat in de praktijk een situatie is ontstaan waarin een lid van de OR op informele wijze de rol van vertrouwenspersoon is gaan vervullen. Men kan het met die situatie eens of oneens zijn, maar feit is dat het in dit geval in de praktijk gebeurt. Het niet honoreren van de opleiding van de betreffende persoon verandert daar niets aan.

De Scholingskamer zoekt – uitgaande van de bestaande situatie – naar een oplossing voor het geschil waar beide partijen baat bij hebben. Duidelijk is dat dhr. X vanwege zijn (informele) rol veel relevante zaken verneemt waarin de bestuurder beleidsmatig is geïnteresseerd. In de huidige praktijk bereiken de signalen die dhr. X ontvangt de bestuurder niet of nauwelijks. Dhr. X formeel benoemen in de functie van vertrouwenspersoon is vanwege het geldende beleid binnen de organisatie niet mogelijk, omdat hij lid is van de OR (dat zou onverenigbaarheid van functies betekenen).   

Partijen komen in overleg met de Scholingskamer uiteindelijk tot de volgende afspraken:

  • Gelet op de bestaande praktijk wordt dhr. X door de bestuurder erkend als ‘informeel vertrouwenspersoon’. 
  • Dhr. X heeft voortaan periodiek en structureel overleg met de afdeling HR, waarbij hij de door hem in zijn hoedanigheid van ‘informeel vertrouwenspersoon’ vernomen signalen, mits van werk gerelateerde aard, op anonieme wijze rapporteert.
  • De afdeling HR gebruikt deze signalen ten behoeve van daarop te voeren beleid. 
  • Om deze (informele) functie zo goed mogelijk te kunnen vervullen volgt dhr. X een cursus voor de functie van vertrouwenspersoon, zoals ook is gevolgd door de (formeel benoemde) vertrouwenspersoon. 
  • Onder bovenstaande voorwaarden wordt het dhr. X toegestaan de door de OR gewenste modules van de HBO-opleiding Psychologie te volgen.

Beide partijen onderschrijven voorts dat, overeenkomstig het geldende beleid binnen de onderneming, de positie van (informele) vertrouwenspersoon niet is gekoppeld aan het lidmaatschap van de OR, maar aan de persoon van dhr. X. Dat betekent enerzijds dat wanneer het OR-lidmaatschap van dhr. X eindigt het OR-lid dat hem opvolgt niet automatisch een beroep kan doen op eenzelfde positie in relatie tot de functie van vertrouwenspersoon. Bovendien betekent het dat wanneer dhr. X de OR verlaat hij – gelet op zijn gevolgde opleiding en opgedane ervaring – in aanmerking kan komen voor de formele positie van vertrouwenspersoon binnen de onderneming.

Er kunnen geen rechten worden ontleend aan dit bericht/deze tekst. Deze geanonimiseerde samenvatting van een bemiddelingsadvies van de bedrijfscommissie wordt gepubliceerd om inzage te geven in de aard van het uitgebrachte advies. Met deze publicatie wordt geen jurisprudentievorming beoogd, aangezien de commissie steeds met maatwerkoplossingen komt, gericht op het(/de) specifieke (omstandigheden van het) geval.

powered by sitecore