Bemiddelingsverzoek BC Markt II 16.001

Sector: zorg

Trefwoordeninstemming, instemmingsrechtinformatieverstrekking, arbeidstijdenregeling, communicatie, passeren OR, geen ruimte tot bemiddelingoverlegstructuur

Kern van het geschil

Partijen verschillen van mening over de vraag of, en zo ja in welke gevallen, de OR instemmingsrecht heeft bij een werktijdenwijziging/wijziging roosterindeling. Voorgelegd zijn twee gevallen waarover partijen van mening verschillen. De OR meent voor beide gevallen om instemming te moeten worden gevraagd. Daarbij speelt dat de OR vindt dat de bestuurder onvoldoende rekening houdt met de sociale aspecten die roosterwijzigingen voor medewerkers hebben en wil daarom gebruik kunnen maken van het instemmingsrecht om in voorkomende gevallen sterker te staan in de discussie met de bestuurder. De bestuurder meent dat er geen sprake is van een algemene regeling die wijzigt en dat dus de OR geen instemmingsrecht toekomt.

Advies van de commissie

Tijdens de bemiddelingszitting wordt duidelijk dat de betreffende gevallen inmiddels niet meer spelen. Partijen zijn daarom niet geïnteresseerd in bemiddeling, maar wensen een juridisch oordeel dat hun kan helpen in toekomstige gevallen van roosterwijziging.

De bedrijfscommissie merkt op dat het geven van een zuiver juridisch oordeel in beginsel niet de taak van de bedrijfscommissie is. Daarvoor kan een partij zich beter richten tot de rechter of tot een arbiter. In de onderhavige kwestie besluit de bedrijfscommissie ook geen oordeel uit te spreken. Met het geven van een oordeel wordt immers een partij in het gelijk en een andere in het ongelijk gesteld. Mede omdat partijen voorafgaande aan de zitting hebben aangegeven zich niet bij voorbaat aan het oordeel van de bedrijfscommissie te willen binden zal de in het gelijkgestelde partij zich dan waarschijnlijk beroepen op het oordeel van de bedrijfscommissie, terwijl de in het ongelijk gestelde partij zich daar niet aan gebonden voelt. Bovendien is het zeker niet uitgesloten dat toekomstige kwesties inhoudelijk anders liggen dan de onderhavige, zodat het dan de vraag is wat het oordeel van de bedrijfscommissie in zo’n toekomstige kwestie waard is. Feitelijk hebben partijen de bedrijfscommissie dan ook voor een onmogelijke opgave gesteld.

Het is de bedrijfscommissie gebleken dat een van de oorzaken van de ontstane onduidelijkheid is dat de OR het gevoel heeft door de bestuurder onvoldoende te worden geïnformeerd over kwesties die in zijn ogen belangrijke gevolgen kunnen hebben voor medewerkers. De sociale aspecten van de betreffende roosterwijzigingen brengen mee dat een bestuurder de OR daarover voorafgaand aan het te nemen besluit moet informeren. Zeker omdat de onderneming landelijk verspreid is over vele locaties, waardoor de OR onmogelijk voelhorens kan onderhouden met alle vestigingen. Een goede informatievoorziening van de kant van de bestuurder is dan essentieel om medezeggenschap optimaal te kunnen laten functioneren. Een en ander staat overigens los van de vraag of de bestuurder een dergelijke kwestie ter instemming aan de OR zou moeten voorleggen.

Aan de andere kant constateert de bedrijfscommissie dat de OR zich te veel fixeert op het wettelijk recht op instemming. In de voorgelegde kwestie is de aankondiging van een roosterwijziging door medewerkers van de betreffende afdeling voorgelegd aan de leden van de OR. In reactie daarop heeft de OR zich direct tot de bestuurder gericht met de vraag waarom hij dit niet ter instemming aan de OR had voorgelegd. De bedrijfscommissie is van mening dat het verstandiger was geweest indien de OR zich niet direct op de formele positie had gericht, maar eerst de discussie over de inhoud was aangegaan. Het innemen van een formeel standpunt over instemmingsrecht leidde er immers toe dat de bestuurder ook formeel reageerde dat hij van oordeel was dat de OR dat recht niet toekwam. Daardoor groeven partijen zich in hun standpunten in, hetgeen niet de weg is waarop medezeggenschap het beste functioneert.

De bedrijfscommissie adviseert partijen daarom in de toekomst nog eens goed hun werkwijze en overlegstructuur tegen het licht te houden.   

Er kunnen geen rechten worden ontleend aan dit bericht/deze tekst. Deze geanonimiseerde samenvatting van een bemiddelingsadvies van de bedrijfscommissie wordt gepubliceerd om inzage te geven in de aard van het uitgebrachte advies. Met deze publicatie wordt geen jurisprudentievorming beoogd, aangezien de commissie steeds met maatwerkoplossingen komt, gericht op het(/de) specifieke (omstandigheden van het) geval.

powered by sitecore