Bemiddelingsadviezen 2017 Bedrijfscommissie Markt I en II

Bemiddelingsverzoek BC Markt MI 17.009

Binnen de organisatie bestaat een gebrek aan onderling vertrouwen en aan een goede samenwerking tussen de OR en de bestuurder. Het gebrek aan vertrouwen is mede ontstaan door een slechte onderlinge communicatie. De OR verwijt de bestuurder dat deze geen gehoor geeft aan verzoeken om informatie, e-mail niet beantwoordt en afspraken schendt. Daardoor blijven zaken liggen. De bestuurder bestrijdt dit. Hij dacht een afspraak te hebben gemaakt met de voorzitter van de OR om de zaken die waren blijven liggen na zijn vakantie op te pakken. Omgekeerd verwijt hij de OR ook onvoldoende met hem te communiceren. Het is de bestuurder niet duidelijk hoe de besluitvorming binnen de OR plaatsvindt. Hij heeft de indruk dat er verdeeldheid bestaat binnen de OR.

Bemiddelingsverzoek BC Markt I 17.007

Binnen een organisatie bestaat een groot gebrek aan onderling vertrouwen tussen de OR en de bestuurder. Dit gebrek aan vertrouwen is mede ontstaan nadat de bestuurder een reorganisatie met gedwongen ontslagen had aangekondigd. De reorganisatie is inmiddels afgewend, maar de OR blijft een gebrek aan vertrouwen houden dat zich zowel op een groot aantal inhoudelijke dossiers manifesteert als in de onderlinge en bedrijfsbrede communicatie. Ook de bestuurder spreekt uit dat hij een gebrek aan vertrouwen heeft in de OR, mede op het terrein van het op prudente wijze omgaan met de kosten voor medezeggenschap. Partijen hopen ter zitting afspraken te kunnen maken om de relatie en samenwerking te verbeteren.

Bemiddelingsverzoek BC Markt II 17.004

Binnen de kinderopvang-organisatie is er een attentiebeleid. Onderdeel van dit attentiebeleid is een regeling inzake uitkeringen bij jubilea. Dit beleid houdt in dat een uitkering wordt verstrekt bij het respectievelijk 5, 10 en 15 jaar in dienst zijn van de organisatie. De bestuurder heeft dit beleid (per direct) geschrapt. Daarbij heeft zij als argument gegeven dat er in de van toepassing zijnde CAO Kinderopvang (hierna: CAO) een soortgelijke bepaling (artikel 6.3) staat (maar met andere jubileumtermijnen) en dat van deze CAO niet mag worden afgeweken. Ook niet in positieve zin. Naar de visie van de OR is dit niet correct en mag er wel in positieve zin worden afgeweken van de CAO. De OR is de mening toegedaan dat een beleid dat in samenspraak tussen OR en bestuurder tot stand is gekomen, niet eenzijdig door de bestuurder ingetrokken mag worden. Beide partijen hebben ter onderbouwing van hun standpunt extern juridisch advies ingewonnen. De adviezen van deze juristen spreken elkaar echter tegen.

Bemiddelingsverzoek BC Markt I 17.004

Aanleiding van dit geschil betreft de vergoeding van de kosten van de door de personeelsvertegenwoordiging (PVT) ingeschakelde juridische bijstand (advocaat). De PVT hoopt dat de bemiddeling ertoe leidt dat de kosten voor die bijstand alsnog door de bestuurder worden voldaan. De bestuurder wenst deze kosten niet te betalen omdat het hem voorafgaande aan de inschakeling van de deskundige niet duidelijk was dat het om juridische bijstand zou gaan. Hij dacht te maken te hebben met de kosten van een externe pensioendeskundige en niet die van een advocaat. Hij voelt zich daardoor op het verkeerde been gezet. Hoewel aanvankelijk ook nog andere zaken waren aangedragen, beperkt de bemiddeling door de bedrijfscommissie zich op verzoek van partijen slechts tot de nog onbetaalde rekening van de ingeschakelde advocaat.

Bemiddelingsverzoek BC Markt II 17.003

Het geschil heeft betrekking op het adviesrecht bij de benoeming van een bestuurder. De RvT heeft bij besluit een nieuwe bestuurder benoemd. De OR geeft aan met betrekking tot deze benoeming niet formeel om advies te zijn gevraagd, terwijl dat conform het bepaalde in artikel 30 van de WOR wel had moeten gebeuren. De RvT geeft aan te goeder trouw te hebben gehandeld door in de selectieprocedure leden van de OR te betrekken. Daarbij geeft de RvT aan dat leden van de OR zitting hebben gehad in de adviescommissie en dat – bij email van de voorzitter van de OR – de OR daarmee heeft afgezien van het formele adviesrecht op grond van artikel 30 van de WOR.

Bemiddelingsverzoek BC Markt I 17.003

Verzoeker (de bestuurder) is voornemens een uitvoeringsovereenkomst af te sluiten met een (nieuwe) pensioenuitvoerder. De aanleiding daarvoor is dat de huidige uitvoeringsovereenkomst afloopt en de bestaande pensioenuitvoerder niet bereid is de overeenkomst te verlengen tegen dezelfde condities. In de voorgestelde overeenkomst zal sprake zijn van een andere pensioensystematiek. Er wordt afgestapt van een hybride systeem, dat bestaat uit een combinatie van gegarandeerde uitkeringen (DB-regeling) voor de salarissen tot een bepaald inkomen en beschikbare premies (DC-regeling) voor de salarissen daarboven. De voorgestelde overeenkomst gaat uit van een volledige DC-regeling voor alle medewerkers. De OR heeft de instemming onthouden, omdat hij van oordeel is dat het voorstel een verslechtering is ten opzichte van de bestaande regeling.

Bemiddelingsverzoek BC Markt II 17.002

Eind 2015 is met instemming van de OR een urenregistratiesysteem ingevoerd, waarbij gebruik wordt gemaakt van een elektronische 'prikklok'. Alle apothekers van de keten dienen in- en uit te klokken. In het betreffende urenregistratiesysteem is in september 2016 per individuele apotheker een urenrooster vastgelegd, gebaseerd op de in de onderliggende arbeidsovereenkomst vastgelegde urenverplichting per week. Het conflict betreft specifiek het aan de prikklok gekoppelde urenregistratiesysteem en spitst zich toe op de (groep) apothekers. Partijen verschillen van mening over de bevoegdheden van de OR in deze kwestie.

Bemiddelingsverzoek BC Markt I 17.002

Kern van het geschil vormt de wens van een werknemer dat de organisatie waarin hij werkt een OR instelt. Zijn werkgever is hiertoe op grond van de WOR verplicht, maar is tot dusverre in gebreke gebleven om aan deze wettelijke verplichting te voldoen. De werkgever meent gegronde redenen te hebben om het verzoek vooralsnog niet te honoreren. Er zou daarbij geen sprake zijn van onwil, maar van een gebrek aan animo voor een OR bij de werknemers van de organisatie.

Bemiddelingsverzoek BC Markt II 17.001

In de van toepassing zijnde CAO is bepaald dat door de ondernemer voor verschillende onderwerpen regelingen moeten worden gemaakt, die de instemming van de OR behoeven. Een van deze onderwerpen is de tegemoetkoming in de kosten van woon-werk verkeer. Binnen de onderneming is thans op dit onderwerp niets geregeld, maar zijn wel met enkele medewerkers individuele afspraken getroffen. Deze afspraken verschillen onderling van elkaar. Zowel de ondernemer (verzoeker) als de OR zijn van oordeel dat het goed is dat er een uniforme regeling komt. De OR kan echter niet instemmen met de door verzoeker voorgelegde concept regeling, omdat deze regeling geen recht doet aan de – naar de mening van de OR – op basis van de individuele afspraken verworven rechten van de medewerkers, die er als gevolg van deze regeling op achteruit zouden gaan.

powered by sitecore