Bemiddelingsverzoek BC Markt II 17.001

Sector: welzijnssector

Trefwoordeninstemming, instemmingsrecht, personeelsregelingreiskostenvergoeding

Kern van het geschil

In de van toepassing zijnde CAO is bepaald dat door de ondernemer voor verschillende onderwerpen regelingen moeten worden gemaakt, die de instemming van de OR behoeven. Een van deze onderwerpen is de tegemoetkoming in de kosten van woon-werk verkeer. Binnen de onderneming is thans op dit onderwerp niets geregeld, maar zijn wel met enkele medewerkers individuele afspraken getroffen. Deze afspraken verschillen onderling van elkaar. Zowel de ondernemer (verzoeker) als de OR zijn van oordeel dat het goed is dat er een uniforme regeling komt. De OR kan echter niet instemmen met de door verzoeker voorgelegde concept regeling, omdat deze regeling geen recht doet aan de – naar de mening van de OR – op basis van de individuele afspraken verworven rechten van de medewerkers, die er als gevolg van deze regeling op achteruit zouden gaan.

Oordeel van de commissie

Tijdens de zitting komt verzoeker direct met een voorstel om het conflict op te lossen. Door vervroegde invoering van het Individueel Keuzebudget, een fiscale regeling, die op grond van de CAO op 1 januari 2018 in werking zal treden, worden de scherpe kantjes van de regeling gehaald en zijn er nog maar voor enkele personen negatieve gevolgen. De OR kan zich in beginsel in dit voorstel vinden en vindt de aldus aan te passen regeling inhoudelijk akkoord, maar blijft bij zijn standpunt dat de medewerkers die er dan toch nog op achteruit zouden gaan aanvullend moeten worden gecompenseerd.

De bedrijfscommissie heeft getracht in het conflict te bemiddelen, maar ter zitting volhardden beide partijen in hun standpunten. Het bleek niet mogelijk een gezamenlijke oplossing, dan wel een gezamenlijk compromis te bereiken. Daarop heeft de bedrijfscommissie in de kwestie een oordeel uitgesproken.

De bedrijfscommissie geeft allereerst aan dat nu partijen overeenstemming hebben over de inhoud van de regeling het redelijk is dat de OR instemt met het voorgenomen besluit.

Het enige geschilpunt betreft nog hoe om te gaan met de medewerkers die er onder de nieuwe regeling op achteruit zullen gaan. Daarover heeft de bedrijfscommissie vastgesteld dat binnen de onderneming in het verleden geen uniformiteit is betracht ten aanzien van tegemoetkoming in de kosten van woon-werk verkeer. Sommige medewerkers ontvangen in het geheel geen tegemoetkoming, terwijl de overige medewerkers allemaal een andere tegemoetkoming ontvangen. Deze tegemoetkoming is niet in alle gevallen gebaseerd op een vergoeding per kilometer. De achtergrond van de hoogte van de afspraken lijkt ook niet meer in alle gevallen te achterhalen. In alle gevallen is de individuele tegemoetkoming schriftelijk vastgelegd in de arbeidsovereenkomst en/of een brief. Voorts wordt vastgesteld dat in sommige gevallen de omstandigheden, die aan de tegemoetkoming ten grondslag hebben gelegen, al lange tijd geleden zijn gewijzigd, zonder dat dat heeft geleid tot een aanpassing van de tegemoetkoming.

Met betrekking tot de personen die er onder de nieuwe regeling financieel op achteruit gaan is de bedrijfscommissie van oordeel dat zij in het verleden een regeling hebben getroffen op basis van individueel onderhandelen. Deze regeling werd weliswaar in naam beschouwd als een tegemoetkoming in de kosten van woon-werkverkeer, maar deze was vaak niet gekoppeld aan de feitelijke reisafstand die moest worden afgelegd. Bovendien werd er bij de toekenning van de tegemoetkoming soms ook rekening gehouden met de omstandigheid dat de auto ook zakelijk zou worden gebruikt. Ook nadat er veranderingen in de functie waren opgetreden, waarvan het – gelet op de reden voor de hoogte van de tegemoetkoming – in de reden had gelegen om de vergoeding aan te passen, heeft de werkgever dit nagelaten. Daarmee zijn rechten ontstaan die niet zomaar eenzijdig – als gevolg van de invoering van een uniforme regeling – opzij kunnen worden gezet. Daar komt bij dat deze afspraken ook in alle gevallen schriftelijk zijn vastgelegd. De bedrijfscommissie is derhalve van oordeel dat verzoeker deze individuele afspraken aanvullend aan de in te voeren regeling dient te blijven honoreren. In het geval van een van deze medewerkers, die recent dichter bij het werk is gaan wonen, betekent dit overigens dat zijn tegemoetkoming naar beneden moet worden bijgesteld, evenredig aan de kortere afstand tussen zijn woonadres en zijn werk.

Omdat er de komende tijd nog meer uniforme regelingen moeten worden opgesteld adviseert de bedrijfscommissie partijen om ten aanzien van die onderwerpen al in het voortraject met elkaar in overleg te treden. Bovendien adviseert de bedrijfscommissie om daarbij te trachten deze regelingen zoveel mogelijk als een gezamenlijk pakket te bespreken. Dit bevordert het tot stand komen van een afgewogen geheel.

 

Ten slotte

Partijen hebben ter zitting uitgesproken dat zij zich aan het oordeel van de bedrijfscommissie zullen conformeren. Achteraf heeft de bedrijfscommissie de bevestiging gekregen dat partijen dit ook daadwerkelijk hebben gedaan.

Er kunnen geen rechten worden ontleend aan dit bericht/deze tekst. Deze geanonimiseerde samenvatting van een bemiddelingsadvies van de bedrijfscommissie wordt gepubliceerd om inzage te geven in de aard van het uitgebrachte advies. Met deze publicatie wordt geen jurisprudentievorming beoogd, aangezien de commissie steeds met maatwerkoplossingen komt, gericht op het(/de) specifieke (omstandigheden van het) geval.

powered by sitecore