Bemiddelingsverzoek BC Markt II 17.003

Sector: zorg

Trefwoorden schriftelijke behandeling, adviesrechtcommunicatieRaad van Toezicht

Kern van het geschil

Het geschil heeft betrekking op het adviesrecht bij de benoeming van een bestuurder. De RvT heeft bij besluit een nieuwe bestuurder benoemd. De OR geeft aan met betrekking tot deze benoeming niet formeel om advies te zijn gevraagd, terwijl dat conform het bepaalde in artikel 30 van de WOR wel had moeten gebeuren. De RvT geeft aan te goeder trouw te hebben gehandeld door in de selectieprocedure leden van de OR te betrekken. Daarbij geeft de RvT aan dat leden van de OR zitting hebben gehad in de adviescommissie en dat – bij email van de voorzitter van de OR – de OR daarmee heeft afgezien van het formele adviesrecht op grond van artikel 30 van de WOR.

Advies van de commissie

In deze kwestie heeft geen bemiddelingszitting plaatsgevonden omdat de RvT heeft verzocht om een schriftelijke afhandeling van het verzoek. Als het niet mogelijk is om in een conflict te bemiddelen kan de bedrijfscommissie in voorkomende gevallen een oordeel geven over de kwestie op basis van de stukken en/of partijen een advies mee geven.

Beide partijen waren voorafgaande aan de benoemingsprocedure van mening met elkaar een afspraak te hebben gemaakt over een aangepaste procedure. Echter achteraf blijkt dat zij ieder een eigen – van elkaar verschillende – visie op de gemaakte afspraak hebben. De bedrijfscommissie stelt vast dat een en ander is misgegaan in de communicatie. Partijen dachten een afspraak met elkaar te hebben, maar die bleek achteraf door beide partijen verschillend te worden geïnterpreteerd.

De bedrijfscommissie komt tot het oordeel dat de RvT er in het onderhavige geval op mocht vertrouwen dat de afspraken die zijn gemaakt, over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de adviesplicht, werden gemaakt met de OR en niet uitsluitend met de betrokken OR-leden. De bedrijfscommissie leest de gemaakte afspraak als volgt dat op een alternatieve wijze invulling wordt gegeven aan het adviesrecht. Niet achteraf op een moment waarop de feitelijke keuze al heeft plaatsgevonden, maar vooraf in het kader van de advisering over de te kiezen kandidaat. Dat partijen op een andere wijze invulling hebben gegeven aan het wettelijke adviesrecht op grond van artikel 30 van de WOR, ontslaat de RvT echter niet van de verplichting aan de overige bepalingen in de WOR gevolg te geven. De bedrijfscommissie is van oordeel dat de RvT de OR achteraf onvoldoende heeft geïnformeerd over het genomen besluit. Bovendien week het genomen besluit af van het advies van de voorbereidingscommissie. Hieruit kan derhalve impliciet de conclusie worden getrokken dat daarmee ook de OR niet positief heeft geadviseerd. Op grond van het bepaalde in artikel 25, vijfde lid, van de WOR was de RvT daarom gehouden de OR zo spoedig mogelijk van het genomen besluit in kennis te stellen en aan de OR mede te delen waarom is afgeweken van het advies. Dat is in dit geval niet gebeurd en daardoor is de RvT tekortgeschoten in zijn wettelijke informatieplicht.

De bedrijfscommissie adviseert partijen in de toekomst de communicatie over en weer beter te laten verlopen en te maken afspraken ook goed vast te leggen. Aan de OR geeft de bedrijfscommissie in dit verband mee om, indien de voorzitter of andere leden individueel overleg voeren met de bestuurder en/of de RvT, daarbij telkens goed aan te geven of deze leden de volledige OR vertegenwoordigen of alleen zichzelf. Aan de RvT wordt meegegeven om in de toekomst in dergelijke bilaterale overleggen expliciet vast te stellen of de gesprekspartner de gehele OR vertegenwoordigt. Voorts wordt de RvT geadviseerd in toekomstige gevallen meer openheid te betrachten ten aanzien van de motieven die ten grondslag liggen aan besluiten die afwijken van adviezen van de OR.

Ten tweede adviseert de bedrijfscommissie partijen om de benoemingsprocedure nog een keer met elkaar te evalueren, mede aan de hand van dit advies. In een dergelijke evaluatie kunnen zij met elkaar bespreken wat er goed en wat er fout is gegaan en kunnen afspraken worden gemaakt voor de toekomst. Daarbij zouden alle opties open moeten staan. Dat de RvT thans in reactie op het bemiddelingsverzoek eenzijdig aangeeft zich in de toekomst strikt te beperken tot het in de WOR beschreven adviesrecht helpt daar niet bij. Hoewel dat op zich best de uitkomst van een evaluatiegesprek zou kunnen zijn, moeten partijen een dergelijk gesprek open in gaan. Goede samenwerking en goede, heldere, afspraken tussen partijen zijn essentieel om medezeggenschap in een organisatie vorm te geven en tot een succes te maken.

Er kunnen geen rechten worden ontleend aan dit bericht/deze tekst. Deze geanonimiseerde samenvatting van een bemiddelingsadvies van de bedrijfscommissie wordt gepubliceerd om inzage te geven in de aard van het uitgebrachte advies. Met deze publicatie wordt geen jurisprudentievorming beoogd, aangezien de commissie steeds met maatwerkoplossingen komt, gericht op het(/de) specifieke (omstandigheden van het) geval.

powered by sitecore