Bemiddelingsverzoek BC Markt I 18.004

SectorAkkerbouw 

TrefwoordenArbeidsconflict, ontvankelijkheiduitvoering medezeggenschap

Kern van het geschil

Een werknemer die al ruime tijd een arbeidsconflict heeft met de werkgever verzoekt om de instelling van een ondernemingsraad (hierna: OR). In de onderneming werken circa 160 mensen, maar er is geen OR ingesteld. Vlak voor de zitting van de bedrijfscommissie (hierna: BC) doet een rechter uitspraak over het voorliggende ontbindingsverzoek: de arbeidsovereenkomst komt te vervallen. Hierdoor komt de ontvankelijkheid van het bemiddelingsverzoek ter discussie. De OR-plicht is onomstreden; de rechter is daar ook duidelijk over. Verweerder weet dat er een wettelijke plicht bestaat tot het instellen van een OR, maar heeft niet de behoefte daartoe gevoeld. Ter zitting bij de BC valt er nauwelijks te bemiddelen en krijgt de bijeenkomst meer het karakter van een informatief gesprek over de uitvoering van goede medezeggenschap.

Standpunten van partijen

Verzoeker is inmiddels 30 jaar in dienst bij werkgever en heeft in de loop der jaren herhaalde verzoeken gedaan om een OR in te stellen. Na een periode van ziekte heeft verzoeker zich hersteld gemeld, waarna verweerder de ontbinding van de arbeidsovereenkomst vanwege een verstoorde arbeidsverhouding met verzoeker heeft aangevraagd bij de kantonrechter. Als tegenverzoek bij deze procedure heeft verzoeker de rechter verzocht om verweerder te gelasten een OR in te stellen. Dit verzoek is door de kantonrechter afgewezen. Tijdens de mondelinge procedure door de kantonrechter is de mogelijkheid van een bemiddelingsverzoek bij de BC aan de orde gekomen.

Verweerder geeft aan dat het van oorsprong een familiebedrijf is, waarbinnen voor alle medewerkers ruime mogelijkheden tot inspraak bestaan. Verweerder weet dat er een wettelijke plicht bestaat tot het instellen van een OR, aangezien bij het bedrijf meer dan 50 personen werkzaam zijn. Verweerder is van oordeel dat verzoeker geen belang heeft bij zijn verzoek om een OR in te stellen, omdat hij op korte termijn niet meer in dienst zal zijn en omdat hij in de periode voorafgaande aan het ontbindingsverzoek wegens ziekte arbeidsongeschikt is geweest. Hij verzoekt daarom het bemiddelingsverzoek niet ontvankelijk te verklaren.

Tijdens de bemiddelingszitting constateert de bedrijfscommissie dat:

  • Verzoeker altijd zeer betrokken is geweest bij de onderneming, zelfs nu de arbeidsovereenkomst komt te vervallen. Dat is ook de reden dat hij zich thans nog steeds hard maakt ten behoeve van zijn collega’s voor het instellen van een OR. Verzoeker is van mening dat als er een OR was geweest veel problemen voorkomen hadden kunnen worden. Hij zegt dat veel collega’s zijn wens dat een OR wordt ingesteld, delen. Dit is in de onderneming geen populair standpunt bij de directie en daarom durft niemand zijn hoofd boven het maaiveld uit te steken.
  • Verweerder geen mogelijkheden ziet tot bemiddeling tussen hem en verzoeker. De onderlinge verhoudingen zijn volledig verstoord en de rechter heeft uitspraak gedaan over het ontslag van verzoeker. Hij wijst op de historie van het familiebedrijf en zegt altijd te pogen op een menselijke wijze met het personeel om te gaan, hetgeen hem goed af gaat. Nieuwe arbeidsvoorwaardelijke regelingen worden altijd met de betrokken werknemers besproken.

Oordeel van de bedrijfscommissie

 Ontvankelijkheid bemiddelingsverzoek

De BC spreekt zich uit over de vraag of verzoeker in zijn verzoek kan worden ontvangen.

De BC stelt daarbij vast dat het kennelijke oordeel van de kantonrechter, dat verzoeker onvoldoende belang heeft bij het instellen van een OR, moet worden gelezen in de context van het arbeidsrechtelijke geschil omtrent de ontbinding van het arbeidscontract. Een verzoek om bemiddeling bij de BC dient echter een ander doel en heeft een andere context dan die procedure. De BC is ingesteld op grond van artikel 37 van de Wet op de ondernemingsraden (WOR). In het eerste lid van dit artikel wordt als taak van de BC omschreven: de behandeling van aangelegenheden betreffende (onder meer) de ondernemingsraden. De BC vat de taakomschrijving ruim op en rekent daarom een bemiddelingsverzoek op het gebied van medezeggenschap al snel ontvankelijk. Wel moeten partijen belanghebbende zijn bij een bemiddelingsverzoek. Belanghebbend zijn voor de BC in ieder geval in de onderneming werkzame personen in de zin van de WOR. Verzoeker is een in de onderneming werkzame persoon, in de zin van de WOR. Daaraan doet niet af dat zijn arbeidsovereenkomst op termijn wordt beëindigd. De BC acht het bemiddelingsverzoek ontvankelijk.

Inhoudelijk

Tijdens de zitting is het de BC duidelijk geworden dat er weinig tot geen ruimte is om in deze  kwestie te bemiddelen. Zo er al ruimte zou zijn, hebben beide partijen niet de bereidheid getoond deze mogelijkheid verder te willen of kunnen onderzoeken. Daarom beperkt de BC zich tot het uitspreken van een inhoudelijk oordeel en een advies.

Partijen geven aan dat er in de onderneming circa 160 werkzame personen zijn. Dat is ruim meer dan de wettelijke grens voor het verplicht instellen van een OR, die bij 50 werkzame personen ligt. Daarnaast is niet gebleken dat aan de onderneming op grond van artikel 5, eerste lid van de WOR een ontheffing is verleend van de verplichting om een OR in te stellen. Dat betekent dat de ondernemer op grond van de WOR verplicht is een OR in te stellen. Dat verweerder aangeeft dat hij medezeggenschap op een andere wijze invult, bijvoorbeeld door het horen van (een deel van) de medewerkers wanneer hij voornemens is personeelsregelingen vast te stellen of te wijzigen, doet daar niets aan af.

Ter aanvulling op dit oordeel merkt de BC bij wijze van advies ook het volgende op.

  • Georganiseerde medezeggenschap, zoals in het geval van een OR, biedt meer dan alleen maar een klankbord bij het vaststellen of wijzigen van personeelsregelingen. Vanaf een bepaalde omvang van de onderneming ligt het voor de hand betrokkenheid van medewerkers te organiseren via een vertegenwoordigend orgaan. Dat is efficiënter, gaat sneller en maakt het eenvoudiger alle medewerkers te bereiken. In de praktijk blijkt deze behoefte vaak te ontstaan bij een omvang van circa 30 medewerkers.
  • Bovendien is goede medezeggenschap tweezijdig en biedt ook het medezeggenschapsorgaan de mogelijkheid om zaken te agenderen of initiëren. Inspraak creëert tegenspraak. Met constructieve tegenspraak zorgt de ondernemer ervoor dat zijn medewerkers niet alleen meeweten en meepraten, maar ook kunnen meebeslissen. Het instellen van een OR biedt de ondernemer en zijn medewerkers de gelegenheid structureel constructief overleg te voeren in het belang van het goed functioneren van de onderneming in al haar doelstellingen.
  • Daarnaast verplicht een aantal wetten en cao’s de ondernemer om zijn medewerkers te raadplegen, bijvoorbeeld de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet melding collectief ontslag. Ook bevat een aantal wetten en cao’s mogelijkheden om – in overleg met de medewerkers – op bepaalde punten af te wijken of een nadere invulling te geven die beter past bij de onderneming.


Er kunnen geen rechten worden ontleend aan dit bericht/deze tekst. Deze geanonimiseerde samenvatting van een bemiddelingsadvies van de bedrijfscommissie wordt gepubliceerd om inzage te geven in de aard van het uitgebrachte advies. Met deze publicatie wordt geen jurisprudentievorming beoogd, aangezien de commissie steeds met maatwerkoplossingen komt, gericht op het(/de) specifieke (omstandigheden van het) geval.

powered by sitecore