Bemiddelingsverzoek BC Markt II 18.002

SectorZorg

Trefwoorden: Gemeenschappelijke ondernemingsraad, ontvankelijkheid, OR-reglementverkiezingen

Kern van het geschil

Drie ondernemingen in de zorg worden samengevoegd tot één grote zorgorganisatie. De bestuurder van de organisatie besluit vervolgens één gemeenschappelijke ondernemingsraad (hierna GOR) in te stellen. Door de bestuurder is een Voorlopig Reglement Gemeenschappelijke Ondernemingsraad opgesteld, hetgeen is ondertekend door de vakbonden. Verzoeker is lid van een vakbond. Hij heeft zich niet via zijn vakbond kandidaat gesteld, ex artikel 9, lid 2, onder a Wet op de Ondernemingsraden (WOR), maar via een vrije lijst, ingediend door een collega van hem (ex artikel 9, lid 2, onder b WOR). Volgens artikel 8, lid 4, van het voorlopig reglement GOR kan een lid van een vakbond die zelf kandidaten heeft gesteld zichzelf niet kandideren via een vrije lijst, maar mag hij wel op een vrije lijst als kandidaat staan.

De indiener van de vrije lijst heeft, om hem moverende redenen, besloten de door hem ingediende lijst in te trekken. De verkiezingscommissie heeft daarop, na juridisch advies hierover te hebben ingewonnen, besloten dat door intrekking van de vrije lijst door de indiener daarvan, de kandidatuur van verzoeker is komen te vervallen. Verzoeker heeft tegen die beslissing bezwaar aangetekend bij de verkiezingscommissie. De verkiezingscommissie heeft haar beslissing gehandhaafd met de motivering dat de door de indiener ingediende lijst voldeed aan de vereisten in de wet en het reglement en dat de indiener bevoegd was deze lijst in te trekken. Door de intrekking is volgens verweerder (de verkiezingscommissie) de kandidatuur van verzoeker komen te vervallen.

De bedrijfscommissie merkt op dat de beslissing van de verkiezingscommissie formeel juridisch weliswaar de juiste beslissing was, maar dat gezien de feitelijke situatie de verkiezingscommissie wellicht tot een ander oordeel had kunnen komen. De bedrijfscommissie adviseert op zo kort mogelijke termijn tussentijdse verkiezingen te houden.

Ontvankelijkheid van de bedrijfscommissie

Tijdens de bemiddelingszitting geeft de voorzitter van de bedrijfscommissie aan dat de commissie in formeel juridische zin zichzelf niet bevoegd acht om het verzoek in behandeling te nemen. Ter toelichting geeft de voorzitter aan dat de Bedrijfscommissie kan bemiddelen in geschillen met de ondernemer/bestuurder of de ondernemingsraad (art. 13a, lid 1 Verordening op de Bedrijfscommissies 2002). Het voorliggende verzoek betreft een geschil tussen een medewerker en de verkiezingscommissie van een ten tijde van het ontstaan van het geschil nog in te stellen GOR. De bedrijfscommissie onderkent het in het verzoek aan de orde gestelde probleem en is van mening dat het onderwerp en de inhoud daarvan wel op haar terrein ligt in relatie tot ondernemingsraden en ondernemingsraadverkiezingen. De bedrijfscommissie is, ondanks de formeel juridische niet ontvankelijkheid, bereid om met het oog op het toekomstig goed functioneren van de medezeggenschap een bemiddelende/ondersteunende rol te spelen ten aanzien van het ingediende verzoek.

Tijdens de bemiddelingszitting zijn partijen in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader toe te lichten en zijn er diverse vragen van de bedrijfscommissie beantwoord. Daarbij bleek het volgende:

  • verzoeker heeft zich via een collega kandidaat gesteld en niet via zijn vakbond omdat de termijn om zich via de vakbond kandidaat te stellen inmiddels verlopen was. Verzoeker heeft de lijst maar door één persoon laten ondertekenen omdat hij niet had stilgestaan bij eventuele intrekking daarvan.
  • Zowel verzoeker als verweerder zijn het erover eens dat de indiener van de vrije lijst, zich bij intrekking van de lijst gebaseerd heeft op onjuiste aannames. Ten onrechte ging de indiener ervan uit dat bestuurder geen faciliteiten zou bieden om de door verzoeker aan OR-werk te besteden tijd in de organisatie op te vangen.
  • Niet alle zetels in de GOR zijn bezet. Naar verwachting zal de GOR op korte termijn tussentijdse verkiezingen organiseren. De verkiezingscommissie is daar in formele zin niet toe bevoegd. Twee leden in de verkiezingscommissie zitten in de huidige GOR. Het is verweerder bekend dat de GOR de organisatie van tussentijdse verkiezingen heeft opgeschort in afwachting van de uitkomst van de bemiddelingszitting bij de bedrijfscommissie.
  • Verzoeker geeft aan het inconsequent te vinden dat verweerder zich in de beslissing over het vervallen van zijn kandidatuur strikt formeel juridisch baseert op uitleg van het reglement, maar zich in andere situaties zelf niet houdt aan de in het reglement voorgeschreven termijnen, zoals bijvoorbeeld de termijn waarbinnen voor de verkiezingen de voorlopige kandidatenlijsten bekend gemaakt moeten worden.
  • Verweerder geeft aan de ontstane situatie niet prettig te vinden maar meent dat zij zich, juist ook omdat het ging om de eerste GOR-verkiezingen, juridisch correct moest opstellen. Verweerder heeft daarom op basis van juridisch advies besloten de kandidatuur van verzoeker ongeldig te verklaren.

Advies en aanbevelingen van de Bedrijfscommissie

De bedrijfscommissie adviseert partijen als volgt:

  • De bedrijfscommissie is van oordeel dat de verweerder formeel juridisch tot de beslissing kon en mocht komen, dat door intrekking van de lijst door de indiener de juridische grondslag voor de kandidaatsstelling voor de GOR van verzoeker kwam te vervallen.
  • De bedrijfscommissie is evenwel van mening dat gezien de feitelijke situatie verweerder ook tot een andere beslissing had kunnen komen. De commissie baseert zich hierbij op een tweetal argumenten; ten eerste het gegeven dat het verweerder op het moment dat de beslissing werd genomen bekend was dat de indiener van de lijst deze introk op basis van feitelijk onjuiste aannames (het vermeend ontbreken van OR-faciliteiten). Ten tweede het gegeven dat verweerder zich niet in alle gevallen strikt aan haar eigen verkiezingsreglement heeft gehouden. Als voorbeeld noemt de commissie in dit kader de in het reglement bepaalde termijn voor het bekend maken van de voorlopige kandidatenlijsten. Volgens artikel 10 lid 1 van het reglement diende dit vier weken voor de verkiezingen plaats te vinden. In de praktijk vond deze bekendmaking 13 dagen voor de verkiezingen plaats.
  • De bedrijfscommissie beveelt aan om zo spoedig mogelijk tussentijdse verkiezingen te organiseren.
  • De bedrijfscommissie wenst partijen toe dat zij gezamenlijk tot een goede oplossing van het geschil komen.

Er kunnen geen rechten worden ontleend aan dit bericht/deze tekst. Deze geanonimiseerde samenvatting van een bemiddelingsadvies van de bedrijfscommissie wordt gepubliceerd om inzage te geven in de aard van het uitgebrachte advies. Met deze publicatie wordt geen jurisprudentievorming beoogd, aangezien de commissie steeds met maatwerkoplossingen komt, gericht op het(/de) specifieke (omstandigheden van het) geval. 

powered by sitecore