Trefwoord: Instelling OR (art. 2 WOR)

Bemiddelingverzoek BC MI 17.002 (sector: detailhandel)
Kern van het geschil vormt de wens van een werknemer dat de organisatie waarin hij werkt een OR instelt. Zijn werkgever is hiertoe op grond van de WOR verplicht, maar is tot dusverre in gebreke gebleven om aan deze wettelijke verplichting te voldoen. De werkgever meent gegronde redenen te hebben om het verzoek vooralsnog niet te honoreren. Er zou daarbij geen sprake zijn van onwil, maar van een gebrek aan animo voor een OR bij de werknemers van de organisatie.

Bemiddelingverzoek BC MI 15.005 (sector: dienstverlening) 
Kern van het geschil betreft de toepassing van artikel 2, lid 2 WOR. Verzoekende partij (een vakbond namens een groep vakbondsleden binnen de organisatie) vraagt om een uitspraak over de rechtmatigheid van het bestaan van de OR binnen de organisatie, c.q. een advies gericht op het oplossen van de controverse hierover met de bestuurder. De bestuurder is van mening dat reeds aan het einde van 2013 de zittingsperiode van de OR van rechtswege eindigde aangezien het aantal werknemers op dat moment, uitgaande van de definitie in de WOR, onder het vereiste aantal van 50 was gezakt. De bestuurder constateert ruim een half jaar na het aflopen van de zittingsperiode dat er zijns inziens geen OR meer is, omdat de vorige OR van rechtswege is opgeheven. De organisatie had naar de mening van de bestuurder aan het eind van de zittingstermijn van de OR geen 50 werknemers meer.

Bemiddelingsverzoek BC MII 14.003 (sector: re-integratie)
De activiteiten van de organisatie waar dit geschil zich afspeelt zijn ondergebracht in verschillende BV’s. Voor de verschillende BV’s, waar afzonderlijk geen 50 personen werkzaam zijn, is één PVT ingesteld. Kern van het geschil vormt de wens van de PVT om een OR voor de organisatie in te stellen. De PVT meent dat na verkiezing (van de huidige PVT) is gebleken dat, gezien het aantal medewerkers dat werkzaam is bij de organisatie, niet een PVT maar een OR had moeten worden ingesteld. De bestuurder meent echter dat het momenteel niet het geijkte moment is om een OR in te stellen omdat de komende periode zijns inziens cruciaal gaat worden voor de organisatie en hij rekening houdt met grote veranderingen vanwege de op handen zijnde transities.

Bemiddelingsverzoek BC MII 14.002 (sector: ANBI)
Het geschil spitst zich toe op de vormgeving van de medezeggenschap binnen de organisatie. Van de 120 mensen die in de betreffende organisatie werkzaam zijn, zijn (slechts) 16 personen in vaste dienst; het overige personeelsbestand wordt gevormd door vrijwilligers. Verzoekers zijn van mening dat binnen de organisatie de instelling van een OR de aangewezen vorm van medezeggenschap is. De bestuurder is echter van mening dat een PVT een geschikt platform biedt voor medezeggenschapsoverleg binnen de organisatie. Een PVT volstaat zijns inziens ook in juridische zin. De bestuurder acht een OR een te zwaar orgaan voor de organisatie.

Bemiddelingverzoek BC MI 14.006 (sector: detailhandel)
Verzoeker wenst de instelling van een OR te bewerkstelligen. Het verzoek tot bemiddeling wordt gesteld te zijn gedaan uit naam van een groep van 17 (over verschillende bedrijfsonderdelen verspreide) werknemers. Verzoeker meent dat hij in zijn wens (structureel) wordt tegengewerkt door de bestuurder. Hij is er van overtuigd dat hij in zijn recht staat en dat een bedrijf met een paar honderd medewerkers (conform wet en cao) verplicht is een OR te hebben.

Bemiddelingverzoek BC MI 14.001 (sector: installatietechniek)
Kern van het geschil vormt de wens van verzoeker (een vakbond) om een OR voor de organisatie te bewerkstelligen. De bestuurder is hiertoe naar de mening van verzoeker op grond van de WOR verplicht maar is tot dusverre in gebreke gebleven om aan deze wettelijke verplichting te voldoen. Van een geschil is naar de mening van de bestuurder geen sprake. Hij heeft zijns inziens verzoeker duidelijk aangegeven dat hij, conform de wettelijke verplichting, zal toetsen of er voldoende draagvlak onder het voltallige personeel is voor (her)invoering van een OR en dat, mocht blijken dat hiervan sprake is, hij zal zorgen dat de OR nieuw leven zal worden ingeblazen.

Bemiddelingsadvies BC MII 13.016 (sector: welzijn)
Binnen de (landelijke) vereniging X opereren diverse (locale) stichtingen, waaronder stichting Y Den Haag. Verzoekers (werkzaam bij stichting Y Den Haag) menen dat het instellen van een (gemeenschappelijke) OR op verenigingsniveau verplicht is. De stichtingen zijn namelijk als verenigingslid verbonden aan de vereniging X. De werkgever meent dat een PVT genoeg medezeggenschap biedt voor stichting Y Den Haag.

Bemiddelingsadvies BC MI 12.024 (sector: financiële dienstverlening)
Het gaat in deze kwestie om een assurantiekantoor waarvan de PVT van deze organisatie (met drie vestigingen) van mening is dat in de ondernemingen een OR moet worden opgericht op grond van artikel 3 WOR. Volgens de PVT zijn er in totaal inmiddels meer dan 70 mensen werkzaam. Daarbij gaat de PVT ervan uit dat de twee BV’s en één CV van de organisatie samen één onderneming vormen in de zin van de WOR. Naar de mening van bestuurder is er in formele zin geen sprake van één onderneming in de zin van de WOR.

Bemiddelingsadvies BC MII 12.012 (sector: welzijn)
Een particuliere instelling voor geestelijke zorgverlening heeft een PVT. Sinds de cao-GGZ algemeen verbindend is verklaard tracht de PVT zich om te vormen tot een OR. In de cao is bepaald dat de instellingsgrens voor een OR op 35 werknemers ligt. Bij de organisatie werken momenteel 37 werknemers en de organisatie valt alleen onder de cao in de perioden dat deze algemeen verbindend is verklaard. De bestuurder stelt dat er minder dan 35 mensen werkzaam zijn bij de organisatie nu een aantal medewerkers werkzaam is op basis van een leer-arbeidsovereenkomst en daarom niet meetelt als in de onderneming werkzame personen als bedoeld in de WOR.

Bemiddelingsadvies BC MI 12.005 (sector: dienstverlening)
Een werknemer stelt dat de organisatie waar hij werkzaam is al geruime tijd meer dan 50 werknemers in dienst heeft en om die reden op grond van artikel 2, lid 1, van de WOR verplicht is tot het instellen van een OR. Zowel verzoeker als andere werknemers zouden er bij de bestuurder op hebben aangedrongen over te gaan tot het instellen van een OR. De bestuurder stelt dat het geschil niet gaat over de instelling van een OR, maar dat het een arbeidsgeschil met de verzoekende werknemer betreft. De bestuurder stelt dat binnen haar onderneming de medezeggenschap al goed is geregeld.

Bemiddelingsadvies BC MI 11.022 (sector: taxivervoer)
Het geschil speelt zich af tussen een vakbond en een aantal werknemers van een taxibedrijf, die stellen dat de werkgever verplicht is een OR in te stellen en weigert hieraan mee te werken.

Bemiddelingsadvies BC MI 11.017 (sector: metalektro)
Een bemiddelingsverzoek is ingediend door een werknemer omdat de werkgever, ondanks dat hij daartoe verplicht is, geen OR instelt.

Bemiddelingsadvies BC MI 11.012 (sector: logistieke dienstverlening) 
Verzoeker, een werknemer van de onderneming, stelt dat de bestuurder op grond van artikel 2 van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) verplicht is om een OR in te stellen, aangezien de onderneming meer dan 300 werknemers heeft.

powered by sitecore