Trefwoord: Structuur medezeggenschap

Bemiddelingsverzoek BC Markt II 16.004 (sector: welzijnssector)
Het betreft een intern geschil binnen een OR. Drie leden van de OR vormen samen het dagelijks bestuur (DB) van die OR. Verzoekers zijn leden van de OR die niet in het DB zitten. Zij vinden dat het DB te weinig doet om belangrijke onderwerpen, zoals een klokkenluidersregeling of een ARBO-regeling op de agenda van de OR te plaatsen. Bovendien verwijten zij het DB te veel in overleg te treden met de bestuurder en met hem te nauwe banden te onderhouden. Het DB overlegt vaker met de bestuurder dan met de eigen OR leden. Het DB geeft aan dat er goede redenen zijn waarom de onderwerpen nog niet zijn geagendeerd. Ook ontkennen zij te nauwe banden te hebben met de bestuurder. Het overleg dat zij hebben met de bestuurder zou uitsluitend agenderend en informerend zijn. Op hun beurt verwijt het DB verzoekers dat zij onvoldoende constructief zijn bij de behandeling van onderwerpen. Verzoekers zouden zich te veel op de wet en de procedures beroepen en te weinig bezig zijn met de inhoudelijke kant van onderwerpen die de OR in behandeling heeft. Daardoor wordt vaak veel tijd verloren en zou het in enkele adviestrajecten, waar de OR te maken had met een scherpe deadline, verkeerd zijn gegaan.

Bemiddelingverzoek BC MI 15.008 (sector: metaal) 
Een vakorganisatie heeft enkele bezwaren tegen het reglement van de (gemeenschappelijke) OR. De vakorganisatie verzoekt in zijn bemiddelingsverzoek zijn bezwaren te beoordelen en daarover een uitspraak te doen dan wel door bemiddeling het geschil te beslechten. De OR meent dat hij keuzes heeft gemaakt waartegen de vakorganisatie klaarblijkelijk bezwaar maakt, maar die niet in strijd zijn met de WOR noch met het SER-Voorbeeldreglement ondernemingsraden. Ter zitting is door verzoeker nogmaals bevestigd dat de bezwaren zich met name richten op de onevenredige zetelverdeling van de kiesgroepen en de keuze voor het kiesstelsel. Zij herhaalt van oordeel te zijn dat het huidige reglement in strijd is met de WOR en spreekt de wens uit dat dit wordt aangepast.

Bemiddelingverzoek BC MI 15.005 (sector: dienstverlening) 
Kern van het geschil betreft de toepassing van artikel 2, lid 2 WOR. Verzoekende partij (een vakbond namens een groep vakbondsleden binnen de organisatie) vraagt om een uitspraak over de rechtmatigheid van het bestaan van de OR binnen de organisatie, c.q. een advies gericht op het oplossen van de controverse hierover met de bestuurder. De bestuurder is van mening dat reeds aan het einde van 2013 de zittingsperiode van de OR van rechtswege eindigde aangezien het aantal werknemers op dat moment, uitgaande van de definitie in de WOR, onder het vereiste aantal van 50 was gezakt. De bestuurder constateert ruim een half jaar na het aflopen van de zittingsperiode dat er zijns inziens geen OR meer is, omdat de vorige OR van rechtswege is opgeheven. De organisatie had naar de mening van de bestuurder aan het eind van de zittingstermijn van de OR geen 50 werknemers meer.

Bemiddelingsverzoek BC MII 14.006 (sector: onderwijs)
Als gevolg van een herstructurering binnen een MBO-organisatie is de bestuurder mede verantwoordelijk geworden voor een bepaalde stichting. Besloten is om de structuur van die stichting te wijzigen naar een BV holding, met daaronder twee werkmaatschappijen. Binnen de organisatie functioneert een OR en met ingang van mei 2014 is voor beide werkmaatschappijen een PVT ingesteld, waaraan extra bevoegdheden zijn toegekend (vergelijkbaar met die van een OR).
Hoewel de OR zich kon vinden in de argumenten voor de structuurwijziging, is er een verschil van mening ontstaan met betrekking tot de medezeggenschap binnen de werkmaatschappijen.

Bemiddelingsadvies BC MI 12.029 (sector: industrie)
Centraal staat de vraag of de instelling van een gemeenschappelijke OR bevorderlijk is voor een goede toepassing van de wet.

Bemiddelingsadvies BC MI 12.028 (sector: industrie)
Centraal staat de vraag hoe de structuur van de medezeggenschap binnen de Nederlandse tak van het internationaal actieve concern vorm gegeven dient te worden. In de vorm van een gemeenschappelijke OR of in de vorm van een Centrale Ondernemingsraad (COR)?
De activiteiten worden in Nederland vanuit acht locaties verricht. Bij drie vestigingen is een OR ingesteld en bij één vestigingsonderdeel een PVT. Bij de overige vestigingen en/of onderdelen daarvan zijn geen medezeggenschapsorganen ingesteld.

Bemiddelingsadvies BC MI 12.022 (sector: dienstverlening)
Verzoekers, de gemeenschappelijke OR (GOR) en de bestuurder, leggen de Bedrijfscommissie Markt I gezamenlijk de vraag voor of een wijziging van het huidige medezeggenschapsmodel noodzakelijk is om de medezeggenschap zo laag mogelijk in de organisatie te formaliseren en juridische problemen bij een eventuele rechtsgang te voorkomen. De bestuurder is daarbij van oordeel dat de huidige situatie voldoet en kan blijven voortbestaan; de GOR meent dat (de voorgelegde) wijziging van het medezeggenschapsmodel noodzakelijk is. Partijen hebben tevoren aangegeven zich naar het oordeel van de commissie te richten en ook niet tijdens de behandeling ter zitting aanwezig te zijn.

Bemiddelingsadvies BC MI 12.005 (sector: dienstverlening)
Een werknemer stelt dat de organisatie waar hij werkzaam is al geruime tijd meer dan 50 werknemers in dienst heeft en om die reden op grond van artikel 2, lid 1, van de WOR verplicht is tot het instellen van een OR. Zowel verzoeker als andere werknemers zouden er bij de bestuurder op hebben aangedrongen over te gaan tot het instellen van een OR. De bestuurder stelt dat het geschil niet gaat over de instelling van een OR, maar dat het een arbeidsgeschil met de verzoekende werknemer betreft. De bestuurder stelt dat binnen haar onderneming de medezeggenschap al goed is geregeld.

Bemiddelingsadvies BC MI 10.002 (sector: dienstverlening)
Het geschil gaat over de erkenning van de OR door de bestuurder. De bestuurder stelt dat er onvoldoende draagvlak is voor een OR. Tot de verkiezingen in maart 2010 hadden twee vestigingen van de onderneming samen één OR.

powered by sitecore