Bedrijfscommissie Markt II

In 2016 zijn minder bemiddelingsverzoeken ingediend bij de Bedrijfscommissie Markt II dan in 2015. In totaal zijn er in 2016 vier verzoeken om bemiddeling ontvangen.

Er zijn drie zaken behandeld tijdens een bemiddelingszitting. In deze drie zaken heeft de bedrijfscommissie een oordeel of advies uitgebracht. In één zaak kon de bedrijfscommissie niet bemiddelen, omdat een van de partijen niet wilde meewerken.

Mariska Exalto

 

"Ga maar eens de gang op en bedenk hoe je nader tot elkaar kunt komen"

 

Mariska Exalto, voorzitter bemiddelingscommissie

 

Binnengekomen verzoeken en wijze van afhandeling

  2014 2015 2016
Nieuwe bemiddelingsverzoeken 11 7 4
Doorlopend uit vorig jaar 0 0 1
Bemiddelingszittingen 7 3 3
Adviezen/oordelen 8 3 3
Op andere wijze afgedaan 2 2 1
Intrekkingen 1 1 0
Naar volgend jaar 0 1 1

 

Ter illustratie een voorbeeld van een bemiddelingsverzoek uit 2016

Casus: Verschil van mening over roosterwijzigingen

Partijen verschillen van mening over de vraag of, en zo ja in welke gevallen, de OR instemmingsrecht heeft bij een besluit tot wijziging van de werktijden en de roosterindeling. Voorgelegd zijn twee zaken waar dit aan de orde was en waarbij de OR meent instemmingsrecht te hebben. Inhoudelijk is de OR van mening dat de bestuurder onvoldoende rekening houdt met de sociale aspecten die roosterwijzigingen voor medewerkers hebben. Om die reden wil de OR het instemmingsrecht gebruiken om in voorkomende gevallen sterker te staan in de discussie hierover met de bestuurder. De bestuurder meent dat er geen sprake is van een wijziging van een algemene regeling en dat de OR daarom geen instemmingsrecht toekomt.

De zitting

Tijdens de bemiddelingszitting wordt duidelijk dat de twee voorgelegde zaken inmiddels niet meer spelen. Partijen geven aan niet geïnteresseerd te zijn in bemiddeling, maar wensen een juridisch oordeel dat hun kan helpen in toekomstige gevallen.

De bedrijfscommissie merkt op dat – hoewel de bedrijfscommissie daar prima toe in staat is – het geven van een zuiver juridisch oordeel niet de (primaire) taak van de bedrijfscommissie is. Voor een juridisch oordeel kunnen partijen zich beter richten tot de rechter of tot een arbiter. In de onderhavige kwestie heeft de bedrijfscommissie afgewogen of het een juridisch oordeel zal uitspreken over de twee gevallen uit het verleden. De bedrijfscommissie heeft daarop besloten geen juridisch oordeel uit te spreken. Met het geven van een oordeel wordt immers een partij in het gelijk en een andere in het ongelijk gesteld. Mede omdat beide partijen voorafgaande aan de zitting hebben aangegeven zich niet bij voorbaat aan het oordeel van de bedrijfscommissie te willen binden, ligt het voor de hand dat de in het gelijkgestelde partij zich op het oordeel van de bedrijfscommissie zal beroepen, terwijl de in het ongelijk gestelde partij zich daar niet aan gebonden voelt. Daar zijn partijen niet mee geholpen, omdat het de onderlinge verdeeldheid in stand houdt. Daar komt bij dat een oordeel over zaken uit het verleden niet per definitie iets zegt over een toekomstig geval. Een toekomstig geval kan inhoudelijk anders liggen, waardoor ook het oordeel anders zou kunnen komen te luiden. Het is dan de vraag wat het eerdere oordeel van de bedrijfscommissie in de toekomstige kwestie nog waard is.

Het advies

Het is de bedrijfscommissie gebleken dat een van de oorzaken van de ontstane onduidelijkheid is dat de OR het gevoel heeft door de bestuurder onvoldoende te worden geïnformeerd over kwesties die belangrijke gevolgen kunnen hebben voor medewerkers. De bedrijfscommissie is het met de OR eens dat de sociale aspecten van de betreffende roosterwijzigingen met zich meebrengen dat een bestuurder de OR daarover voorafgaand aan het te nemen besluit moet informeren. Zeker omdat de onderneming landelijk verspreid is over vele locaties, waardoor de OR onmogelijk voelhorens kan onderhouden met alle vestigingen. Een goede informatievoorziening van de kant van de bestuurder is dan essentieel om medezeggenschap optimaal te kunnen laten functioneren. Een en ander staat overigens los van de vraag of de bestuurder een dergelijke kwestie ter instemming aan de OR zou moeten voorleggen.

Aan de andere kant constateert de bedrijfscommissie dat de OR zich te veel fixeert op het wettelijk recht op instemming. In de voorgelegde kwestie is de aankondiging van een roosterwijziging door medewerkers van de betreffende afdeling voorgelegd aan de leden van de OR. In reactie daarop heeft de OR zich direct tot de bestuurder gericht met de vraag waarom hij dit niet ter instemming aan de OR had voorgelegd. De bedrijfscommissie is van mening dat het verstandiger was geweest indien de OR zich niet direct op de formele positie had gericht, maar eerst de discussie over de inhoud was aangegaan. Het innemen van een formeel standpunt over instemmingsrecht leidde er immers toe dat de bestuurder ook formeel reageerde dat hij van oordeel was dat de OR dat recht niet toekwam. Daardoor groeven partijen zich in hun standpunten in, hetgeen niet de weg is waarop medezeggenschap het beste functioneert.

De bedrijfscommissie adviseert partijen daarom in de toekomst nog eens goed hun werkwijze en overlegstructuur tegen het licht te houden en daarover afspraken te maken, die ook schriftelijk worden vastgelegd.

Samenvattingen bemiddelingsverzoeken / bemiddelingsadviezen

powered by sitecore